Enkele oude teksten over Winandus

Uit Parwiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Enkele heel oude artikelen over Winandus

"Godsdienstig-staatskundig Dagblad" (10 november 1890)

Bezoek Kapel Catsop.
Uit Beek (L.) meldt men ons: Bij een bezoek aan de Kapel te Catsop, gem. Elslo, werd ons oog getroffen door een oude schilderij. Het daaronder gestelde opschrift, geeft de reden aan waarom de kapel gebouwd werd. Het tafereel verbeeldt een ridder te paard, in 't wit gekleed, jeugdig van aangezicht, die achter op zijn ros een man heeft zitten van meergevorderden leeftijd, zwart van baard en haar.
Die oudere man is aan zijn mosselkraag en stok te erkennen als een pelgrim. In de verte en op den achtergrond van het doek ontwaart men de stad Jerusalem, den koepel van het H. Graf en aan den gezichtseinder den helderblauwen Aziatischen hemel, de bergen van Palestina. Het inschrift, in oude letters gesteld, luidt: "Philip Wynand onze medebroeder van Meers van zijne medegesellen op den Paeschdach te Jerusalem verlaten zijnde, omdat hij de goddelijke dijensten niet wilde versuijmen, is des anderen daechs alleen vertrokken, ende door den Engel Godts in de gedaente van eenen ridder ten selve dage alhier ter plaetse gebracht tot Catsop. God zy eer ende glorie.
Volgens de overlevering, had de reis van genoemde pelgrim naar 't Heilig Land plaats omstreeks 1180, gedurende den wapenstilstand tusschen den pacha Saladijn en Guy de Lusignan.

Een onbekend knipsel (eind 19de eeuw?)

Een door ons nog niet verder geïdentificeerd tijdschrift- of krantenartikel, kennelijk eind 19de eeuw, (dat zich beroept op de Volks-Missionaris, het tijdschrift van de redemptoristen) vermeldt het volgende:

Feuilleton
Wynand van Elsloo
Limburgse legende.

Gedeeltelijk is het heerlijke Maasdal, gedeeltelijk op de groene hoogte, die langs het dal steil oprijst, ligt het bekoorlijke Elsloo. Rijk aan riddersagen en behoorlijke legenden is die aantrekkelijke streek; maar geene is er thans nog zo levendig als het wonderbaar leven van Wynand, een harer beroemste ingezetenen.
Daar woonde in de tijd der kruistochten een godvrezend man. Wynand geheten. Op zekeren tijd trok hij met eenige mannen zijner parochie ter bedevaart naar Jerusalem. En op den Heilige Paeschdag, toen zij in de stad van 's Heeren dood de hoogplechtige Misse hadden bijgewoond, maakten Wynands gezellen zich op en wilden naar het vaderland wederkeren.
Maar den vrome man misviel die reise op sulk een dag.
- "Broeders" sprak hij, "'t is passend dat wij heden in ruste verwijlen: heden moeten wij al de kerkelijke getijden bijwonen."
- "Neen, neen!" riepen de anderen, "de wind is gunstig, waarom nog langer vertoefd?"
En zij trokken op naar de haven en lieten Wynand alleen achter.
Wynand bezocht de kerk van het Heilig graf en de kapel van `s Heeren Opstanding en zong met de koorheren mede die vandaag zoo heerlijk zongen: De Heer is waarlijk verrezen!
Den volgende dag verliet hij ook de stad. Buiten in de eenzame vlakte, daar ontmoet hem een reiter, eerbiedwaardig van gestalte.
- "Waarom," vraagt deze hem, "waarom, goede man, gaat gij daar soo alleen? Van waar komt gij?"
- "Van Jerusalem," antwoordt Wynand, "en zoo en zoo is het mij vergaan."
- "Wel stijg dan bij mij op," herneemt de ruiter; "wij zullen gemakkelijk uwe reisgenoten inhalen."
- "Herkent gij deze streek vroeg hij."
- "Ja ik herken ze," antwoorde Wynand in de hoogste verbazing, "maar wat er thans met mij voorvalt, daarvan begrijp ik niets."
- Nu hervatte de ruiter hoogernstig: "Omdat gij Christus geëerd hebt, daarom ben ik tot u gezonden, om u terug te leiden. Zie hier in uwe woning; ga nu, en verkondig de wonderdaden, die met u geschied zijn."
Bij deze woorden verdween hij. Al spoedig kwamen alle bekenden toegeloopen, na de eerste begroetingen klonk de natuurlijke vraag:
- "Waar zijn uwe reisgezellen."
- "Ik weet het niet, "antwoordde Wynand, nog altijd de hoogste verbazing, "maar dat weet ik; heden morgen was ik nog in Jerusalem; daar hebben zij mij achtergelaten en zijn vooruitgetrokken."
Bij dit vreemde woord staarden allen hem aan. Ongelovig schudden zij het hoofd: "De oude man is aan het ijlen," mompelden zij.
Om hunne spotternijen te ontvluchten, aanvaardde zo Wynand met het geld dat hem van zijn snelle reis was overgebleven, een pelgrimstocht naar Sint Jacob van Compostella in Spanje, een der geliefkoosde bedevaartplaatsen onzer voorouders, en was nog vóór zijn reisgenooten uit Jerusalem aankwamen, in Elsloo terug. Weldra kwamen ook dezen thuis, en nu moest men van weerszijden aan het wonder gelooven: de reisgenooten verklaarden, dat Wynand nog op Paschen te Jerusalem bij hen was geweest, en de dorpers van Elsloo getuigden, dat zij hem op Paaschmaandag in hun midden hadden gezien.
Tot zoo verre Caesarius, de beroemde monnik van Heisterbach.[1]
"De bron," soo zegt de geleerde archivarius Habets,[2],waaruit de schrijver de reis van Wynandus van Elsloo putte, levert ons meer dan éénen waarborg voor hare autenticiteit.
De man, die deze geschiedenis verhaalde, was een ambtgenoot van den schrijver, een medebroeder in zijn klooster Heisterbach, en bijgevolg aan den schrijver wel bekend; hij was verder een achterneef van den held der geschiedenis, die hem als peet gediend had bij het H. Doopsel en een oom geweest was zijner moeder. Misschien was hij van Elsloo geboortig en ooggetuige der wonderbare reis. Gewis had hij het feit van vele menschen, die er persoonlijk getuigen van geweest wareen, hooren vertellen. Er bestaat dus, noch van de kant van den verhaler, ncohf an den kant van den schrijver, enige reden om de echtheid der legende te betwijfelen."
De tijd waarin dit wonderbaar feit is voorgevallen, ligt volgens den Jesuïet Fisen ( in zijn werk Bloemen der Luiksche Kerk) voor het jaar 1200. Habets oordeelt, dat het moet geplaatst worden vóór de verovering van Jerusalem door Saladijn, toen de Christen pelgrims nog ongehinderd de heilige plaatsen konden bezoeken, dus omstreeks het jaar 1180.
Ruim zevenhonderd jaren hebben onze vaderen deze geschiedenis verhaald en geloofd. En wat meer is, zij hebben haar aandenken geheiligd en levendig gehouden door het bouwen eener kapel. In het midden van het gehucht Catsop de voornaamste buurt van Elsloo, stond vroeger een oude kapel van kleine tichelstenen, die in 1848 door een nieuwe vervangen is. Op het altaarvoorhangsel dezer kapel staat het merkwaardig feit geschilderd, en een inschrift geeft de reden aan waarom de kapel gebouwd werd. Ge ziet een ridder, in wit gekleed en jong van aangezicht, te paard gezeten, en achter hem zit een man van meer gevordenden leeftijd, zwart van baard en haar; de schelpen op zijn kraag en de staf in zijn hand, doet hem als pelgrim kennen. In de verte op de achtergrond rijsen Jerusalem op met den koepel van het H Graf en de bergen van Palestina, waarover de blauwe hemel zich welft. En onder dit schilderstuk leest men:

"Philip Wynand, eene medebroeder van Meers,[3]van zyne medegezellen op den Paeschdach te Jerusalem verlaeten zijnde, omdat hy de goddelyke dyensten niet wilde versuymen, is den anderendaesch alleen vertrokken, ende door den Engel Godts in de gedaente van eenen ridder ten zelven dage alhier ter plaatse gebracht tot Catsop.
God zij eer ende glorie."

Zo luid ook nog altijd de volksoverlevering te Elsloo, en zij voegt er bij, dat het gehucht Catsop zijn naam zou te danken hebben aan de stad Gaza of Gutzur in Palestina, als zijnde de stad in welker omstreken Wynand door den Engel ontmoet werd.
En hoe is nu verder het beloop geweest van Wynands rijk begunstigd leven? Veel bijzonderheden zijn er niet van bewaard, maar de overlevering verhaal ons nog van drie voorspellingen, die onze bevoorrechte pelgrim gedaan heeft en wier uitkomst de waarheid van zijn wonderbare reis opnieuw zouden bevestigen.
"Ten eerste," dus verhaalt ons Habets, "heeft hij voorspeld, dat, wanneer hij met de H.H. Sacramenten bediend zou wezen, de begeleiders van den priester, naar Meers terugkeerende, eenen Engel zouden ontmoeten, die naar Elsloo trok om hem te overluiden.
Deze lieden verhaalden inderdaad, dat hun bij die gelegennheid een ruiter had ontmoet, in witte zijde gekleed en bovennatuurlijk schoon en glanzend van aanschijn, die te paard naar Elsloo reed.
"Ten tweede voorzeide hij, dat, wanneer de hemelse gezant de doodsmaar zou afgeluid hebben, de klepel der klok in Orientshof,[4] eene weide naast de kerk, zou vallen. Ook dit gebeurde, en sedert dien tijd werd vermelde klok uit achting voor den vromen pelgrim niet meer getrokken.
"Zijne derde voorspelling was voorwaar een dichterlijke: zij luidde, dat zijn graf zou rozen dragen."
Dit laatste wonder duurt tot op de dag van heden nog voort en wordt jaarlijks vernieuwd. Het plekje grond waarin het lijk van den vrome Wynandus ter werd aarde besteld, maakt nu een deel uit van de tuin der pastorie, en de nieuwsgierige lezer, die de zaak wil ter harte nemen, kan zich desnoods bij de Zeereerw. heer pastoor overtuigen, of het graf van Wynandus niet den schoonsten en best onderhouden korf, maand- en Bengaalrozen draagt der geheele weems(?) (of vicus = buurt?) van Elsloo.[5]

Voetnoten

  1. Zie onze vertaling van deze tekst.
  2. Jos. Habets, “Een woord over Wijnand van Elsloo en diens wonderbare reis naar Jerusalem. - 1180. ”, in: Publications de la Société d'Archéologie dans le duché de Limbourg, Maestricht, 1865, deel II, p. 145-159. Zie Winandus van Meers of van Elsloo.
  3. Meers is eene buurt onder Elsloo.
  4. De Oriëntshof is volgens sommigen de plaats waar de huidige St. Augustinuskerk staat. De plaats van de bedoelde pastorie en het zogenaamde graf van Winandus is ons onbekend. De kerk ten tijde van het leven van Winandus is in elk geval de kerk die in de Maas verdwenen is in 1459. Geschiedenis St. Augustinuskerk. De huidige kerk ligt echter beslist niet in de buurt van deze oude kerk.
  5. Zoals aangegeven is het voor ons een raadsel waar dit mag zijn geweest. Kerk en centrum van Elsloo t.t.v. Winandus liggen nu in de Maas.
Persoonlijke instellingen