Geschiedenis St. Augustinuskerk, gedenkboek 1949

Uit Parwiki


De tekst hieronder is die van het Gedenkboek (zie titel hieronder). Het is de letterlijke tekst met correctie van een paar kleinere foutjes.
De voetnoten zijn onze toevoeging.
Dank aan diaken J. Sietzema voor het inscannen.
TODO: De nodige links aanbrengen naar de rest van de website, m.n. de inventaris.


GEDENKBOEK

UITGEGEVEN BI] HET

100-JARIG BESTAAN

VAN DE KERK VAN ELSLOO

1849 -1949

Drukkerij Knoben & Zn. Elsloo

Er is een heruitgave door Heemkunde Vereniging "Maasstreek", Elsloo, 1985.

1 De kerk van Elsloo en haar inventaris

De thans honderdjarige kerk van Elsloo ontleent haar waarde niet zozeer aan haar architectuur dan wel aan haar inventaris, die, al is hij ook niet uitzonderlijk rijk, toch enkele zeer bijzondere stukken bevat. Al hetgeen hier in de loop der eeuwen bijeengebracht werd, bewijst weer eens te meer, hoe onze voorouders hun parochie-kerken hoogachtten en boe zij het beste en het mooiste juist goed genoeg achtten, om het er een plaats te geven. Dit moge een aansporing zijn voor hun huidige nazaten deze dubbel eerbiedwaardige voorwerpen met de uiterste zorg te omringen en ze als een kostbare schat te bewaken.
Het oudste voorwerp, dat de Elsloose St. Augustinus-kerk bezit, is de hardstenen doopvont, die vermoedelijk van omstreeks 1200 dateert doch zeer gehavend is. Hoewel van waarde door zijn ouderdom, is het stuk om zijn toestand toch van betrekkelijk gering belang, temeer waar Limburg nog vrij talrijke goed bewaarde exemplaren dierzelfde periode bezit.
Bezien wij om te beginnen de meubilering nader, dan ontmoeten wij, behalve de beide zijaltaren, die nog ter sprake zullen komen, twee biechtstoelen en de preekstoel, die kennelijk ouder zijn dan het huidige kerkgebouw. Eerstgenoemden zijn blijkbaar het oudste. Zij zijn versierd met composietzuilen en worden bekroond door een medaillon met een heiligen- buste, dat door engeltjes vastgehouden wordt. Een der Heiligen blijkt St. Franciscus Xaverius te zijn, hetgeen er op zou kunnen wijzen dat het verhaal, volgens hetwelk deze biechtstoelen afkomstig zouden zijn uit de voormalige Jezuïetenkerk te Roermond, niet geheel uit de lucht gegrepen is. Hiermee zou wellicht nog een beeldje van dezelfde Heilige in verband te brengen zijn, dat momenteel op de kerkzolder bewaard wordt, en dat, evenals de biechtstoelen, uit de periode kort vóór 1700 dateert.
Ook de ongeveer een eeuw jongere preekstoel zou van elders gekomen zijn, en wel uit de Maastrichtse St. Servaas. Hij is met guirlandes versierd, terwijl de kuip rust op klauwstukken.
De grootste schat, die de Elsloose Kerk bezit, is zonder twijfel de prachtige groep van St. Anna-te-Drieën, die omstreeks 1525 ontstaan is, en die het voornaamste werk is van de niet met name bekende beeldhouwer, die men naar deze groep de Meester van Elsloo pleegt te noemen. Deze kunstenaar was in het eerste kwart der 16de eeuw in het Maasdal werkzaam, waar hij en zijn helpers talrijke beelden vervaardigden. Het heeft er de schijn van, dat hij geschoold is in de streek van Kleef, doch vrijwel al zijn werken, voor zover ze bewaard gebleven zijn, bevinden zich in de contreien ten Oosten en ten Westen van de Maas tussen Luik en Venlo. De eerstgenoemde stad bezit in de kerk van St. Jacques een Madonna met Kind die het jaartal 1523 draagt. Verder bevinden zich nog beelden van deze meester en zijn helpers te Montfort, Maaseik, Wijlre, Thorn, Roermond, Horst enz.
De Elsloose groep is hieronder veruit de belangrijkste. Hij is uit één blok eikenhout gesneden en is 130 cm hoog en 83 cm breed. De H. Anna is rechts gezeten. Zij houdt het Christuskind, dat de jeugdige, naast haar staande Maria op de armen draagt, een geopend boek voor. Het Kind grijpt speels in de bladen daarvan. Het is jammer, dat deze prachtige groep bedekt is door een lelijke, nieuwe polychromie. Zou men vroeg of laat er toe over gaan deze deskundig te doen verwijderen om de oude oorspronkelijke beschildering bloot te leggen, die naar alle waarschijnlijkheid nog wel onder de thans zichtbare aanwezig zal zijn, dan zou dit prachtige werk oneindig veel beter tot zijn recht komen.
Het werk van de Meester van Elsloo wordt gekenmerkt door de natuurlijke losheid der figuren, door de prachtige levendige handen en door de rijke variëteit der plooien. De koppen, ovaal van vorm, lopen, vooral bij ’s meesters helpers, wel eens het gevaar tot een maskerachtige starheid te vervallen. De kinderfiguurtjes zijn zeer opmerkelijk, beweeglijk en vol actie. Dat de groep van Elsloo reeds in de tijd van zijn ontstaan de aandacht heeft getrokken, blijkt wel uit het feit, dat hij reeds kort daarna gecopieerd werd. In het Rijksmuseum bevindt zich n.i. een vrije navolging van deze St. Anna-te-Drieën in iets kleiner formaat.
Merkwaardigerwijze wordt ook van de St. Anna-groep te Elsloo beweerd, dat zij van elders afkomstig zou zijn, en wel uit de Roermondse Munsterkerk. Dit lijkt niet onwaarschijnlijk, wanneer men bedenkt, dat zich in laatstgenoemde kerk nog een beeld van de Meester van Elsloo bevindt, St. Bernardus voorstellende. Bovendien is het altaar in klassicistische Barok, waarin deze groep is opgesteld kennelijk voor dit doel ontworpen en gebouwd. Het doet dienst als zijaltaar aan de Evangeliezijde der kerk. Het overeenkomstige altaar aan gene zijde is geheel van dezelfde aard en makelij, met dien verstande, dat in de plaats ener nis voor de plaatsing van het beeld, hier een geschilderd altaarstuk het hoofdmotief vormt. Het is een oude kopie naar Rubens’ Kruisafneming in de Antwerpse Onze-Lieve- Vrouwekerk en is links beneden versierd met het wapen ener abdis, hetgeen ook weer in de richting der Munsterabdij wijst. Dit zou de mogelijkheid doen vermoeden, dat beide altaren in hun geheel uit genoemde kerk afkomstig zouden zijn.
Behalve deze St. Anna-te-Drieën is er nog het triomfkruis, waarvan het ongeveer anderhalve meter hoge corpus omstreeks 1500 te dateren is. De kop heet vernieuwd te zijn, terwijl het geheel uit notenhout zou zijn gesneden. Een en ander is door de hoge plaatsing moeilijk te verifiëren. De kerk bezit nog een kleiner crucifix van ongeveer dezelfde tijd.
Belangrijker zijn de beeldjes der H.H. Barbara en Catharina. Het eerstgenoemde stoer en monumentaal van bouw ondanks zijn betrekkelijk geringe hoogte (85 cm), dateert van het einde der 15de eeuw. De St. Catharina is ongeveer een decimeter kleiner en is in de eerste helft der 16de eeuw ontstaan. Dit beeldje is losser en opener van vorm dan dat van de H. Barbara. De Heilige draagt een boek in de hand en haar hoofd is gedekt met een tulbandvormige muts. De rechterhand met het zwaard is later vernieuwd. Ook deze beide beelden worden ontsierd door een bonte, nieuwere polychromie, die waarschijnlijk eveneens de oude beschildering afdekt.
De schilderijen die de kerk bezit, zijn -zoals gewoonlijk in onze Limburgse dorpskerken -van vrij gering belang. De oudste, waarschijnlijk aan het einde der 17de eeuw ontstaan, is een voorstelling van de H. Martelares Agatha. Een tweede, de zittende Madonna met Kind tussen, resp. links en rechts, de H. H. Nicolaas en Catharina, welke laatste een ring van het Christuskind ontvangt, is iets jonger. Zij kan kort na 1700 ontstaan zijn. Een Christus in het graf, wellicht een fragment van een groter doek, draagt de signatuur: Duchateau fecit.
Het altaarzilver bevat enkele belangwekkende stukken. Zo b.v. een zilveren kelk op balustervoet, daterende uit 1711, met Luikse zilvermerken; zij werd aan de kerk geschonken bij de dood van Mgr. d’Arberg, Bisschop van Yperen[1]. Het wapen van deze kerkvorst is op de voet gegraveerd. Een andere kelk vertoont stijlkenmerken, die wijzen op de overgangstijd tussen de perioden van Lodewijk XV en Lodewijk X’VI. Zij moet in de tweede helft der 18de eeuw ontstaan zijn en draagt het Maastrichtse keur met het meesterteken E. B. De stralenmonstrans, uit ten dele verguld zilver vervaardigd, is wederom Luiks werk. Zij ontstond, blijkens de niet meer geheel leesbare zilvermerken, in de twintiger jaren der 18de eeuw. Een zilveren wierookvat en dito schalen met ampullen dateren uit de 19de eeuw.
Hiernaast vragen nog een merkwaardige reeks van 18de eeuwse zilveren reliekhouders onze aandacht. Vooreerst een drietal dat het Maastrichtse keur draagt. Twee ervan geven het jaartal 1782 te lezen. Zij bevatten relieken der H.H. Barbara en Lucia -dezelfde Heiligen dus, waarvan de kerk oude beelden bezit -en werden resp. geschonken door de Jongmans en de Jonge Dogters, gelijk een inscriptie ons mededeelt. De gehuwden wilden blijkbaar niet achterblijven en schonken het jaar daarop een soortgelijke houder voor de reliek van St. Franciscus Xaverius, gelijk het opschrift: Getrouwd 1783 ons leert. Een reliekhouder van St. Augustinus vertoont de vorm van een hart en draagt het jaartal 1813. Twee dergelijke houders dateren resp. uit 1814 en 1817; zij bevatten relieken van St. Eligius en St. Hubertus, zijn van Maastrichts maaksel en voeren het meesterteken G.L.
Enkele kazuifels van 17de en 18de eeuwse gebloemde zijde voltooien deze belangwekkende inventaris, die, afgezien van de aanwezigheid der St. Annatrits van de Meester van Elsloo, niet uitzonderlijk rijk genoemd kan worden, maar die desondanks een goed beeld geeft van de vrij gaaf gebleven uitmonstering ener oudere Limburgse dorpskerk.
Ons overzicht zou niet volledig zijn, wanneer wij de prachtige grafzerk onvermeld lieten van de in 1570 overleden heer van Elsloo, Conrad van Gavre. Op de steen is de levensgrote figuur van de overledene in reliëf aangebracht, omgeven door een omranding van ionische pilasters en een hoofdgestel, dat zijn wapen bevat. Daarnaast vragen een achttal oude grafkruisen op het kerkhof onze aandacht. Een ervan draagt het jaartal 1556. Het zijn bijzonder belangwekkende specimina van deze echt Limburgse graftekens. Om hun ouderdom en hun schoonheid dragen zij bij tot de adeldom van deze honderdjarige kerk in dit prachtige Maasdorp.
Prof. Dr. J. J. M. Timmers.

2 Bezittingen van de kerk van de H. Augustinus te Elsloo

  • 1 Het Sint Anna-altaar met beelden van de H. Anna, O. L. Vrouw en het Kindje Jezus. Beroemd beeld van “de Meester van Elsloo” uit de 15e eeuw. Het altaar met opschrift: Sancta Maria, ora pro nobis, is afkomstig uit de Munsterkerk te Roermond - 1850.
  • 2 Het altaar van de H. Familie -eveneens afkomstig uit de Munster- kerk -1850. De altaarschilderij, voorstellend de Afneming van het Kruis, is een variant van Rubens’ schilderij in de O. L. V.-kerk te Antwerpen en draagt het wapen van de schenker.[2]
  • 3 Een hardstenen doopvont van omstreeks 1200. Zwaar gehavend.
  • 4 Een eikenhouten Communiebank, afkomstig uit de St. Servaas te Maastricht.
  • 5 Een preekstoel, versierd met guirlandes, eveneens afkomstig uit de St. Servaaskerk. ± 1800.
  • 6 Twee biechtstoelen met prachtig beeldhouwwerk in Corinthische stijl, tot 1717 geplaatst in de Jezuïtenkerk te Roermond.
  • 7 Madonna-beeld uit de 16e eeuw.
  • 8 St. Barbara-beeld van omstreeks 1500.
  • 9 St. Catharina-beeld uit de 14e eeuw.
  • 10 St. Franciscus-beeld van voor 1700.
  • 11 St. Hubertus-beeld.
  • 12 St. Augustinus-beeld.
  • 13 Het Kruisbeeld van Catsop -prachtig beeld - waarschijnlijk uit de 13e eeuw.
  • 14 Het Corpus van het missiekruis -uit 1500.
  • 15 Beeld van O. L. V. van Altijddurende Bijstand -met veel goud- en zilverwerk.[3] Het altaar in de kapel is afkomstig uit de kerk van Spaubeek.
  • 16 Kruisweg -geschenk van Wed. Geurts van Elsloo.
  • 17 Schilderij -Christus in het Graf -geschenk van de familie de Geloes- de Borchgrave.
  • 18 Schilderij van de H. Agatha -17e eeuw.
  • 19 Schilderij van St. Nicolaas -idem.
  • 20 Zilveren monstrans - stijl Lodewijk XIV-XVI.
  • 21 Zilveren gedreven stralen-monstrans uit de 18e eeuw.
  • 22 Miskelk -Renaissance - 14e of. 16e eeuw.
  • 23 Miskelk op voet - inscriptie fam. d’Arberg.
  • 24 Miskelk -geprofileerd zilver -1711.
  • 25 Ciborie -zilver - Renaissance 1713 -Maker C. Daal.
  • 26 Ampullen met bord - zilver -geschenk fam. de Geloes (wapen).
  • 27 Ampullen met bord - zilver -Renaissance.
  • 28 Wierookvat met wierookhouder -zilver.
  • 29 Relikwieën van St. Barbara -St. Lucia en St. Franciscus -1782-1783- 1783.
  • 30 Reliekhouders in plaat- en hartvorm in zilver uit 1782-1783-1813-1814- 1817 en 1800 tot 1815.
  • 31 Twee kandelaars in zilver -geschonken door Wed. Nic. Lenssen- Bovens -20 Okt. 1880.
  • 32 Koorkap van witte zijde uit de 18e eeuw.
  • 33 Kazuifel van witte zijde uit 2e helft 17e eeuw.
  • 34 Twee kazuifels met vela en stolae -17e en 18e eeuw.
  • 35 Kazuifel met stola van voor 1850.
  • 36 Geweven benedictie-velum -midden 19e eeuw.
  • 37 Kandelaars -twee kleine uit 18e eeuw.
  • 38 Kandelaars -vier gedreven in koper -18e eeuw.
  • 39 Kruisje -klein koperen -op voet -1728.
  • 40 Zilveren schuttersketen met vergulde vogel en platen van 1750 -1814.
  • 41 Grafmonument van Conrad de Gavre met levensgroot ridderbeeld -1570.
  • 42 Grafsteen met uitgekapt Christus beeld -wapen met anker -1557.
  • 43 Grafsteen met wapen (hert en jachthoorn) -1694.
  • 44 tot 48 Grafstenen uit de jaren 1606-1619-1625-1643-1688.
  • 49 Grafkruis van gegoten ijzer -opschrift Nestor Martin 1738.

3 Uit de kerkgeschiedenis van Elsloo

Hieronder volgen enkele wetenswaardigheden uit de geschiedenis van de parochie en het kerkelijk leven te Elsloo. Ze zijn hoofdzakelijk ontleend aan het bisschoppelijk archief te Luik, aan het parochiearchief te Elsloo en aai de uitgaven van het oudheidkundig genootschap te Maastricht.
De gegevens zijn zeer onvolledig, wijl het schrijven van een geschiedenis in zulk een korte tijd, als ons ter beschikking stond, volkomen onmogelijk is. Er werd enkel naar gestreefd geen leugens op te nemen, wijl die papier en inkt niet waard zijn.
Mogen anderen na rustiger en geduldiger onderzoek eenmaal het mooie godsdienstig verleden van onze parochie nader doen kennen!

3.1 1) Bekering, vestiging der Kerk

De opgravingen van Dr. Beckers uit Beek hebben aangetoond, dat zich binnen Elsloo langs Julianaweg, Koolweg, Stationstraat, enz. zeer oude menselijke nederzettingen bevonden hebben van enkele duizenden jaren geleden. De vondsten bewijzen, dat sindsdien Elsloo blijvend bewoond is geweest tot de Romeinen toe, die omstreeks de tijd van Christus’ geboorte onze landen veroverd hebben. Al die mensen waren heidenen. Al weten we niet precies waarin hun godsdienst bestond, toch is het zeker dat ze de natuurkrachten en de vruchtbaarheid vereerd hebben. Ze geloofden aan de onsterfelijkheid van de ziel, aan de vergelding van goed en kwaad, doch overigens hadden ze een zeer stoffelijke voorstelling van het leven na de dood. Ook de Romeinen, die een begraafplaats hebben gehad in het Hoge Bosch, waren heidenen. Het is mogelijk dat de Materberg de plaats is geweest van hun heidense eredienst, waar zij de moedergodinnen vereerden.
Reeds in het jaar 185 vinden we sporen van het christendom in de streek aan deze kant van de Rijn. Juist omdat heel de beschaafde wereld door de Romeinen beheerst werd en één rijk vormde, kon het christendom in goed honderd jaar van Palestina naar hier komen. Elsloo even goed als Jeruzalem was Romeins. Soldaten en kooplieden, die in Palestina en Egypte rondtrokken, kwamen later naar onze streken en met hen verspreidde het christendom zich van Rome uit naar alle windstreken. De eerste missionarissen waren dus echte lekenapostelen: soldaten, die ver van hun land door hun trouw aan het nieuwe geloof overal de blijde boodschap van Gods liefde verspreidden. Niet enkel in het leger zelf hadden ze invloed, doch ook op het zeer ontvankelijk gemoed van onze voorouders, die, ofschoon heidenen, het toch zeer oprecht en eerlijk meenden. De eenheid van rijk, die zo gunstig was voor de verspreiding van het christendom, had ook een groot nadeel. Wanneer de christenen op één plaats vervolgd werden, dan waren ze nergens veilig. Alle Romeinse keizers vanaf Nero, in het jaar 64, tot aan Constantijn, in het jaar 312, hebben de christenen vervolgd. Bovendien waren de militaire kampen met hun steeds wisselende bevolking weinig geschikt als vaste uitgangspunten voor het christendom.
Slechts enkele grotere kampen met blijvende Romeinse bezetting konden bekeringsarbeid verrichten en ook de inlandse bevolking tót het christendom brengen. Zo had Keulen nog ten tijde der vervolgingen, vóór het jaar 300, reeds een bisschop. In onze afgelegen streken moet de invloed gering geweest zijn. Enkel in Tongeren en Maastricht is sprake van een christengemeente. Servatius was daar bisschop en is in Maastricht gestorven kort na het jaar 384.
De Romeinen hebben Zuid-Limburg beheerst tot ongeveer het jaar 450. Toen werden ze verdreven door de Franken, die van over de Rijn kwamen en geheel West-Europa bezetten. Ook in onze streken hebben die Franken zich gevestigd en de oorspronkelijke bevolking is in hen opgegaan, zodat zij ook tot onze voorouders behoren. Deze Franken waren heidenen. Wel hebben zij de Romeinse beschaving overgenomen, die hier heerste, doch het weinige christendom dat er was, moet grotendeels verdwenen zijn. Eerst nadat de koning der Franken, Clovis, in 496 het christelijk geloof aannam kreeg het christendom weer zijn kans. Clovis wilde dat heel zijn volk christen werd en de missionarissen kwamen uit Zuid-Frankrijk om overal het geloof te preken. Hun spoor kunnen we volgen aan de zeer talrijke Martinuskerken, die in Zuid-Limburg bestaan: Geul, Beek, Stein, Urmond, om maar in de naaste buurt te blijven. Sint Martinus werd de nationale patroon der Franken.
Bovendien blijkt dat de Frankische begraafplaats te Stein, die van 550 tot ongeveer 750 heeft dienstgedaan, ten dele christen graven bevatte. Vandaar dat we aannemen, dat het katholiek geloof hier tussen het jaar 600 en 650 na Christus gevestigd moet zijn.
Vanaf Sint Servatius was de bisschopszetel gevestigd in Maastricht en Elsloo heeft dus tot dat bisdom behoord. De H. Lambertus, die tot in Noord-Brabant het geloof verkondigd heeft en ramenwerkte met de H. Willibrordus, was de laatste bisschop van Maastricht. Rond het jaar 708 werd hij te Luik vermoord, waarschijnlijk om de verdediging van geloof en zeden. Sint Lambertus werd eerst in Sint Pieter begraven, doch de H. Hubertus liet in 720 de overblijfselen weer terugbrengen naar Luik en vestigde daar de bisschopszetel. Zo ontstond het bisdom Luik, waarvan Sint Lambertus patroon werd. Het oude bisdom Luik omvatte geheel Oost- België vanaf Luxemburg, geheel Nederlands en Belgisch Limburg en geheel de provincie Noord-Brabant, die Sint Lambertus samen met Sint Willibrordus voor Christus gewonnen had.
Het oude bisdom Luik was dus wel zeer uitgestrekt. Het spreekt vanzelf dat de bisschop helpers nodig had, verschillende priesters, die in de hulp kerken in de steden of op het land en heilige diensten verrichtten. Zo ontstonden de parochies, waaraan een vast geestelijke verbonden werd. Deze parochies zijn voor het merendeel eerst na het jaar 800 ontstaan onder het bestuur van keizer Karel de Grote, die ook eenmaal onze landsvorst was. Zo kwam er een vaste zielzorg in het bisdom, dat honderden parochies ging tellen. Het bestuur was echter nog maar weinig overzichtelijk. Vandaar werden die parochies gegroepeerd in dekenaten. De deken, die door de pastoors gekozen werd en het toezicht hield op het geestelijk en zedelijk leven van de pastoors en van de gelovigen, was gevestigd in de hoofdplaats van de streek. In onze streek was dat Susteren, waar Sint Willibrordus een abdij gesticht had. Susteren werd het middelpunt van het godsdienstig leven en Elsloo behoorde tot het dekenaat Susteren. Dit dekenaat strekte zich uit langs de rechteroever van de Maas vanaf Meerssen en Geulle tot en met de stad Roermond. Het dekenaat Susteren telde 78 parochies.
In het bisdom Luik waren er echter zeer vele dekenaten en vandaar dat langzamerhand ook de dekenaten samengevat werden. Zo ontstonden de aartsdiakenaten. Het bisdom Luik telde acht aartsdiakenaten, die door een aartsdiaken onder leiding van de bisschop bestuurd werden. Het dekenaat Susteren werd met zes andere dekenaten verenigd in het aartsdiakenaat Kempenland, waartoe ook het dekenaat Maaseik aan de overkant der Maas behoorde. Het aartsdiakenaat Kempenland had niet minder dan 500 parochies. Het kerkelijk bestuur werd dus in het bisdom Luik uit- geoefend: allereerst door de bisschop over het gehele bisdom; dan door de aartsdiaken die over zijn aartsdiakenaat stond, voor Elsloo de aartsdiaken van Kempenland; vervolgens kwam dan de deken voor zijn dekenaat, voor Elsloo de deken van Susteren; tenslotte de pastoor, die zijn parochie bediende. Tot 1840 heeft Elsloo bij het bisdom Luik behoord. Eerst daarna kwam het bij het apostolisch vicariaat en later in 1853 bij het bisdom Roermond.

3.2 2) De Kerken

Toen rond het jaar 650 Elsloo langzamerhand katholiek geworden was, is er een hulpkerkje gebouwd. Die eerste kerkjes waren van hout, zoals overigens bijna alle gebouwen uit die tijd. Nadat de parochies gesticht waren en voor vaste inkomsten gezorgd was, werden ze vervangen door stenen kerkjes. Uit de opgravingen in Midden-Limburg is gebleken, dat deze oudste stenen kerkjes allen rechthoekige zaalkerkjes waren, in ruwe maaskeien opgebouwd. Ze bevatten een éénbeukig schip of ruimte der gelovigen, een versmald priesterkoor en soms nog een afzonderlijke altaarnis, die door een rechte muur was afgesloten. Het priesterkoor was naar het oosten gericht, terwijl aan de westkant een stenen klokkenhuis of kleine toren verrees. Het oude kerkje van Millen bij Sittard en de kapel van Lemiers bij Vaals van ongeveer uit het jaar duizend, zijn goede voorbeelden van die oude kerkjes.
Ook Elsloo heeft zulke kerkjes gehad, eerst van hout, later van steen. Er is echter heel weinig van bekend. Een heer van Elsloo wordt voor het eerst vermeld in 1108. Van het kasteel horen we in 1121, toen Andries van Kuik, proost van St. Lambertus te Luik en later bisschop van Utrecht, hierheen uitgeweken was na de moord op Frederik van Namen, bisschop van Luik, van wie hij een partijganger was. De eerste vermelding van een kerk te Elsloo vinden we in de kroniek van Sint Truiden op het jaar 1135. De kroniekschrijver beweert, dat hij van voorgangers heeft horen zeggen dat de kerk van Elsloo vroeger eigendom was van zijn abdij. Verder weten we dat de kerk vóór 1459 gelegen heeft in het Maasdal bij het kasteel. De Maas, die vroeger veel meer westelijk langs Cothem liep, heeft zich in de loop van de tijd steeds meer naar het oosten verplaatst. Ze stroomt nu waar in de oude tijd een belangrijk deel van het dorp Elsloo lag. Petrus of Henricus Trepoels van Beek, die van 1470 tot 1490 waarnemend pastoor was in Geulle, verhaalt dat de kerk van Elsloo voor 1459 tegelijk met het kasteel door de Maas bijna is weggespoeld. De zware muurresten, die bij de lage waterstand van 1947 zichtbaar waren in de Maas, kunnen de fundamenten geweest zijn van de oude burcht en kerk van Elsloo.
In 1459 werd een nieuwe kerk gebouwd boven op de berg. Ze moet gestaan hebben dwars voor de tegenwoordige kerk met een zijingang vanaf de dorpsstraat. Ook deze kerk was evenals de vorige toegewijd aan Sint Augustinus. Of de oudste kerk ook een Augustinuskerk geweest is, blijft voorlopig onbekend. Was er een nieuwe kerk gebouwd, dan kwam de bisschop om ze plechtig in te wijden met een eerste plechtige H. Mis. Dan werd er meteen groot feest gevierd, n.l. “kerkmis” ofwel kermis. De nieuwe kerk van 1459 werd ingewijd op het feest van Sint Dionysiusdag van dat jaar: dus 9 Oktober. Vandaar dat vroeger de grote kermis van Elsloo plaats had op de Zondag voor het feest van Sint Dionysius ter herinnering aan deze kerkwijding. Op die kermiszondag moest de schutterij plechtig aantreden met vendels en trommen, zoals op Sacramentsdag om het feest luister bij te zetten. Waarschijnlijk is de tegenwoordige Novemberkermis in Elsloo ingevoerd krachtens een verordening van de Hoogmogende Staten Generaal in Den Haag, die dit in 1777 algemeen voor hun gebied voorschreven.
De kerk van 1459 was in gotische stijl opgetrokken en in mergel gebouwd. Haar toren en ingesnoerde vierhoekige spits had veel overeenkomst met die van Stein. Ook deze kerk van 1459 is vergankelijk gebleken. Ze heeft bijna 400 jaar dienst gedaan tot 1849. Wel zijn er in die tijd reparaties aan geweest. Jan Conincx, de rijke Maasschipper van Elsloo, die in Dordrecht overleden is, vermaakte kort daarvoor op 17 Februari 1621, in zijn testament 50 gulden aan de kerk om haar fundamenten te repareren. Bovendien liet hij op zijn kosten de kerkramen rechts van het koor herstellen. In 1700 is er een sacristie gemaakt aan de kerk, waarvoor de mergelblokken uit Valkenburg zijn aangevoerd. Ook in 1744 waren er reparaties nodig aan het priesterkoor, waarover toen nogal herrie gemaakt is. Tenslotte heeft een geweldig onweer de torenspits van de kerk neergehaald. Vandaar een spotliedje in Stein: “Else met de stompe toren, heeft de Steinderhei verloren”. Er was dringend een nieuwe kerk nodig. Op 6 Juni 1848 werd de eerste steen gelegd van de kerk waarvan we nu het honderdjarig bestaan vieren.
In de kerk waren oudtijds maar weinig meubels; enkel een altaar en een doopvont moest elke parochie rijk zijn. Elsloo bezit een sterk geschonden, hardstenen doopvont in romaanse stijl uit het jaar 1200 ongeveer. Banken, preekstoel en biechtstoelen waren in de oude kerken niet aanwezig. De twee eiken biechtstoelen met beeldhouwwerk in onze kerk dateren van rond het jaar 1750 en kunnen best de eerste zijn. De preekstoel is nog veel jonger van rond 1800. Overigens zijn dergelijke meubels veelvuldig van de ene plaats naar de andere versleept. Een zeer belangrijk meubel was de kerkklok. Elsloo bezit nog een klok, Maria genaamd, die in 1480 ‘s-Maandags na Sacramentsdag, door Jan van ‘Venlo gegoten is. Dat was de oude gemeenteklok. Bovendien was er vroeger een Katharina- klok, die in 1470 voor het eerst gegoten werd, doch door de zorg der heren telkens hergoten werd in 1571, 1671 en laatstelijk op last van de familie Jurgens uit Oss in 1888 door de klokkengieter Fritsen te Aarle-Rixtel.
In de schaduw der kerk lag het kerkhof, waar volgens christelijk gebruik de lijken der overledenen begraven werden. Het moest schoongehouden worden en stevig omheind zijn, opdat geen varkens en andere beesten het konden bevuilen. De gemeente moest hiervoor zorgen. In de kerken waren de begraafplaatsen der aanzienlijken. De landsheer had zijn graftombe op het priesterkoor voor het hoogaltaar. Deze graven waren gewoonlijk met prachtige grafzerken bedekt. Op het kerkhof te Elsloo bevindt zich nog de zerk van Conrart van Gavre, heer van Elsloo, gestorven in 1570, waarop de figuur van de overledene levensgroot is afgebeeld met zijn wapen. Bovendien bezitten we hier het graf van Karel Alexander, rijksgraaf d'Arberg-Vallangin, baron van Elsloo, eerst wijbisschop te Luik en later bisschop van Yperen[4], die 10 Mei 1809 overleed, van Namen uit over de Maas naar Elsloo gevoerd en hier begraven werd.===3) De tienden=== De onkosten van de opbouw en onderhoud der kerken, het onderhoud van de pastoors en de zorg voor de armen werd bestreden door vrijwillige giften en stichtingen en voornamelijk door de tienden. De tienden vormen een soort kerkelijke belasting, waarbij ongeveer een tiende van de veldvruchten en de veeteelt aan de kerk werd afgestaan. Dat offeren van de tienden aan God was reeds in het oude testament gebruikelijk en ook de Kerk heeft het later aanvaard. Het is weer keizer Karel de Grote, die ze tot een algemene verplichting heeft gemaakt, welke bijna duizend jaar lang tot 1795 heeft bestaan. Men onderscheidde grote en kleine tienden. De grote tiende werd geheven van alles wat halm en stengel had: granen, bonen, enz. De kleine tiende bestond uit hooi, vlas, moeskruiden, enz. De vee-tiende had betrekking, op lammeren, kalveren, hoenders, enz. De pastoor had gewoonlijk. een derde deel der grote tiende en de gehele kleine tiende. Het overige deel kwam aan de kerk en de armen. In de loop der tijden echter hebben zich meestal leken, vooral de landsheren van die tienden meester gemaakt.
Op die tienden rustten ook lasten. De eigenaar der grote tiende moest het schip der kerk onderhouden vanaf de nok van het dak tot de fundamenten, de vensters links van glas voorzien, een torenklok leveren en de benodigdheden voor de H. Mis en altaar versiering verschaffen, enz. Aan de pastoor kwam ten laste het priesterkoor te onderhouden, indien hij zijn deel der tiende had. Tenslotte moest de gemeente zorg dragen voor de toren, portaal, zijbeuken, enz. Zij moest ook een klok leveren: de gemeente- klok. De kerkfabriek tenslotte moest zorgen voor de godslamp, enz.
‘Waarschijnlijk heeft oudtijds de abdij van Sint Truiden, die reeds uit de achtste eeuw dateert, de tienden te Elsloo gehad. In de 12e eeuw waren ze evenals elders in handen van de heren van Elsloo, uitgezonderd dat deel dat de pastoor toekwam. Nadat het 3e concilie van Lateranen in 1179 krachtig geprotesteerd had tegen het misbruik, dat de tienden in handen van leken kwamen en dat in geweten had verboden, werden in het vervolg weer vele tienden aan de Kerk teruggegeven. Zo deed ook de heer van Elsloo. Op 24 Mei 1228 gaf Arnold, heer van Elsloo met toestemming van zijn vrouw Mechtildis zijn tiendrecht te Elsloo over aan Hugo van Pierreponds, bisschop van Luik, om het over te dragen aan de pas gestichte Witherenabdij van Floreffe bij Namen. Enkel werd hiervan uitgezonderd dat deel dat dienen moest voor het klokkenhuis en het onderhoud der godslamp. In Maart 1248 werd aan diezelfde abdij nog een hoeve overgedragen met twee bunder akkerland door een zekere Giselbertus en zijn vrouw. Tenslotte kreeg de abdij op 28 Juni 1278 nog een hoeve aan de Scharberg met drie morgen akkerland op die berg gelegen. Deze laatste schenking werd gedaan door Arnold Ployart; hiervan moest nog een zekere cijns aan de heer van Elsloo jaarlijks betaald worden. De heer van Elsloo erkende deze overdrachten en ze werden door de bisschop van Luik bevestigd.
De abdij van Floreffe was dus in het vrije bezit van twee derde der grote tienden van Elsloo, terwijl de pastoor een derde had. De inkomsten van dit deel van de pastoor bedroegen jaarlijks ongeveer 50 mud tarwe. Eén mud was 4 malder of 24 vat en dus waren de inkomsten nogal aanzienlijk. De heren van Elsloo vonden het later wel erg spijtig dat ze de tienden kwijt waren en begonnen de abdij onder allerlei voorwendsels daarover lastig te vallen. Zo beweerde Otto van Elsloo in 1373, dat ten laste van die tienden der abdij aan hem zekere diensten toekwamen. De abdij wilde dat niet erkennen en zo kwam het tot een proces. De bisschop van Luik, Jan van Arkel, werd tot scheidsrechter benoemd en deze deed 1 Juni 1373 uitspraak, dat die tienden zonder enige verplichting aan de abdij van Floreffe toekwamen. De heer van Elsloo werd veroordeeld, erkende zijn ongelijk en om zijn onrecht te herstellen gaf hij de abdij nog 1 mud tarwe jaarlijks op de watermolen aan de Scharberg en vroeg de Witheren voor hem te bidden. Ook zijn opvolger, Conrad van Schoonvorst, heer van Elsloo, beloofde 26 Juli 1376 zich aan deze scheidsrechterlijke uitspraak te houden.
Nu ging men het langs een andere weg proberen. Margaretha van Schoonvorst, vrouwe van Elsloo, gehuwd met de jonker van Gaasbeek, ging de grote tienden pachten. Op 4 Augustus 1457 verkreeg ze de tienden van de abdij voor de duur van 15 jaar tegen 22 rijksdaalder per jaar. Doch de onenigheden bleven voortduren en om hieraan voor goed een eind te stellen ging Conrad van Gavre, heer van Elsloo en proost van het kapittel van Sint Martinus te Luik, op 20 April 1583, die tienden met alle andere goederen, die de abdij van Floreffe te Elsloo bezat, afkopen voor de som van 1700 gulden brabants. De som werd onmiddellijk betaald en eindelijk was het doel bereikt: de tienden behoorden in het vervolg weer aan de heer.
Intussen was de pastoor van Elsloo nog steeds in het bezit van een derde deel der tienden gebleven en hij schuurde ze ook werkelijk in. Ook deze wilde de heer zich echter verwerven en daar kon de pastoor al heel weinig tegen doen, wijl hij door de heer zelf als pastoor werd voorgedragen en in zekere zin diens ambtenaar was. Vandaar dat in 1651 de nieuwe pastoor Le Dieu een akkoord moest sluiten met de heer van Elsloo, Nicolaas dArberg, graaf van Vallangin, waarbij hij zijn derde part der tienden aan de heer overdroeg tegen slechts 200 gulden brabants jaarlijks. De latere pastoors waren met deze schikking allerminst tevreden, zelfs niet nadat de toelage in 1699 van 200 op 300 gulden ’s jaars gebracht was. Men kon er echter weinig aan doen en voorlopig bleef het zo.
In 1744 kwam het echter weer tot een conflict. Er waren toen reparaties nodig aan het priesterkoor der kerk. Deze reparaties kwamen tot last aan dat deel der tienden, dat de pastoor bezat. De pastoor echter weigerde die kosten te voldoen, omdat hij geen eigenaar was der pastoorstienden. De heer die de eigenaar was, wilde echter ook niet voor die kosten opkomen, omdat hij beweerde, dat hij wel het genot maar niet de lasten van de tienden gekocht had. Er werd consult gehouden met drie rechtsgeleerden en deze verklaarden: dat de pastoor verplicht was om het koor der kerk te repareren, doch dat de heer van Elsloo de plicht had die pastoorstienden weer aan de pastoor terug te schenken. Vermoedelijk heeft de heer deze oplossing echter niet willen aanvaarden en heeft men tenslotte opnieuw geaccordeerd door de toelage van de pastoor te vergroten. In elk geval bedroeg deze in 1780 de som van 500 gulden ’s jaars, zodat men kan berekenen met welk een hongerloontje pastoor Le Dieu in 1651 is afgescheept.

3.3 4) De pastoors

De oprichting der parochies of kerspelen met vast omschreven grenzen gaat weer terug op keizer Karel de Grote. Gevolg hiervan was, dat ook aan elke parochiekerk een geestelijke vast werd aangesteld: de pastoor. Hij moest minstens 25 jaar oud zijn en, indien hij nog geen priester was, binnen het jaar de H. wijdingen ontvangen. Zijn taak was het de gelovigen te onderrichten in de christelijke leer en hun de sacramenten toe te dienen. Bovendien moest hij de kerkelijke goederen zorgvuldig beheren. De gemeente moest een pastorie bouwen, doch de pastoor moest haar onderhouden.
In die oude tijd werden nogal eens goede brave mensen tot pastoor benoemd, die weduwnaar waren geworden, of soms ook jonge mannen, die slechts in hun eigen parochie van de pastoor enig onderricht ontvangen hadden. Soms waren ze zo weinig onderwezen, dat ze na hun benoeming nog moesten gaan studeren. Het is te begrijpen, dat in die tijden onder zulke omstandigheden wel eens geestelijken tot pastoor werden aangesteld, die niet geschikt waren en hun parochie niet altijd een voorbeeld gegeven hebben. Eerst het concilie van Trente (1545-1563) heeft hier een einde aan gemaakt en de vorming der priesters flink ter hand genomen door de oprichting van seminaries te bevelen, voor de benoeming een pastoors- examen te eisen, enz. Daarbij moest de pastoor voor zijn aanstelling de geloofsbelijdenis doen en een eed van trouw aan zijn kerkelijke overheid afleggen.
Het recht een pastoor te benoemen kwam toe aan de bisschop en later aan de aartsdiaken. Nochtans hadden de stichters van een kerk en hun erfgenamen het recht om een geestelijke ter benoeming voor te dragen: het patronaatsrecht. Dat patronaatsrecht werd in later tijd regelmatig uitgeoefend door de heren van een plaats of door de bezitters van de grote tienden. Ook de heren van Elsloo hebben dit recht gehad. De kerkelijke overheid behield zich echter voor de voorgedragene op zijn bekwaamheid te onderzoeken en aan te stellen of af te wijzen, naar gelang hij al dan niet geschikt geoordeeld werd. Ook de gemeente zelf werd erin gekend, doordat de kandidaat op drie achtereenvolgende Zondagen publiek werd afgekondigd en iedereen verplicht werd om eventuele bezwaren tegen zijn aanstelling aan de geestelijke overheid bekend te maken. Was hij eenmaal aangesteld, dan was de pastoor niet verplaatsbaar, tenzij hij het zelf wilde; enkel kon hij worden afgezet, indien daarvoor goede redenen aanwezig waren. De dingbank van Elsloo had zich niet met de kerkfabriek en kerkelijk armbestuur te bemoeien en ontving daarom in 1727 een terechtwijzing uit Luik.
De pastoor had de plicht om in zijn parochie te wonen en er te verblijven: de residentieplicht. Enkel om goede redenen, b.v. voor studie, kon hij tijdelijk afwezig zijn, doch dan moest voor een bekwaam plaatsvervanger gezorgd worden. ‘Vóór het concilie van Trente is helaas heel weinig aan die residentieplicht vastgehouden. De meeste pastoors waren met verlof afwezig; voor een gering bedrag aan geld kregen ze dat. Zij genoten nochtans de parochie inkomsten, terwijl een slecht betaalde plaatsvervanger de diensten moest waarnemen. Het concilie van Trente heeft gelukkig ook aan deze mistoestand een eind gemaakt.
De pastoor werd dus eerst voorgedragen door de heer van Elsloo; vervolgens werd hij aangesteld door de aartsdiaken te Luik en tenslotte werd hij in zijn parochie ingeleid en in het bezit daarvan gesteld door de landdeken van Susteren. Eerst na deze inbezitname is hij volop pastoor en mag hij zijn pastoorsambt en pastoorsrechten uitoefenen, zoals dat thans nog is. Het bezit nemen van de parochie gebeurde vroeger enigszins anders dan thans. De nieuwe pastoor deed dat door de vier hoeken van het hoogaltaar aan te raken, miskelk en missale over te nemen, de klok te luiden, enz.
We laten nu hieronder een lijst volgen van pastoors voor zover die ons bekend zijn en enkel voor de jaren, dat ze vermeld worden. De lijst is ver van volledig en zal dat wel nooit worden. Het is zelfs niet helemaal zeker dat ze allemaal echt pastoor zijn geweest; een enkele onder hen was misschien slechts tijdelijk plaatsvervanger. Merk overigens op dat zij niet allemaal van het bisdom waren, doch soms van elders als bisdom Utrecht, enz.
1340 Voor de eerste maal vonden we een pastoor vermeld vóór het jaar 1341. Zijn eigenlijke naam is niet eens bekend. Enkel weten we, dat hij een bloedverwant was van een zekere Heilwigis, dochter van Dirk van Beek, die in 1341 burgeres werd van Maastricht.
1400 In het jaar 1400 bedankte als pastoor van Elsloo Herman van Sittard. Hij werd op 11 September 1400 pastoor te Hillensberg. Tot opvolger te Elsloo werd voorgedragen door de heer van Elsloo, Coenraad van Schoonvorst, een zeker geestelijke Franco, bijgenaamd Struven, die op 6 September van dat jaar werd aangesteld. Waarschijnlijk was hij geen priester.
1419 Minstens van 1419 tot 1445 was pastoor te Elsloo Nicolaas Frederiks. Hij kan van Elsloo geboortig zijn geweest.
1470 In dit jaar treffen we als pastoor aan Henricus Colen. Hij verbleef echter niet te Elsloo, doch liet zich vervangen door de priester Dirk Konincs.
1479 Ludovicus Houben (ook genoemd Houwen) is pastoor. Als assistent had hij een pater Dominicaan, Giselbertus Mesmeker.
1568 Er is hier nog een hele gaping in onze lijst, doch in September 1568 ontdekken we Willem Grommen als pastoor te Elsloo.
1574 In Oktober 1574 is Aert ofwel Arnold Nouten pastoor. Hij kwam van Exel[5] in Belgisch Limburg. In 1559 was het bisdom Roermond opgericht op aandrang van koning Philips II van Spanje, die de heer der Nederlanden was. Het bisdom Luik moest hiervoor grote stukken van zijn gebied afstaan en wel o.a. het land van Valkenburg, waarvan koning Philips graaf was. Nu is het lang een bestreden kwestie geweest of Elsloo een zelfstandige rijksheerlijkheid was, dan wel tot het land van Valkenburg behoorde. Vandaar dat er in deze tijd ruzie ontstond of Elsloo bij het bisdom Luik zou blijven, dan wel met het land van Valkenburg over zou gaan naar het bisdom Roermond. De bisschop van Roermond, Willem Lindanus, beschouwde Elsloo als tot zijn gebied behorend en vandaar dat hij pastoor Nouten maande om hem als bisschop te erkennen. Deze pastoor was echter van een andere mening en weigerde zulks. Zo is Elsloo bij het bisdom Luik gebleven, ook toen later de wereldlijke macht overging naar de Staten Generaal in Den Haag.
1598 Op 15 Juni van dit jaar is Jan Hartoch, afkomstig van Leiden, pastoor te Elsloo. Hij was tevens openbaar notaris. Het is niet geheel duidelijk hoelang hij hier geweest is. In elk geval op 28 Augustus 1622 wordt hij nog pastoor genoemd. Doch ook in 1633 zien we hem nog zo genoemd, terwijl er dan toch reeds een ander pastoor is. Misschien is het register, waarin dit laatste vermeld wordt, niet juist gedateerd.
1629 Voor 1629 is ook nog pastoor geweest Gisbertus Stijnen, die in dit jaar bedankt heeft. Daarop werd door de baron van Elsloo, Petrus Ernestus de Gavre, tot pastoor voorgesteld Joannes Duijfkens, die priester was. Op 18 Juni 1629 is hij door de aartsdiaken benoemd. Hoelang Duijfkens pastoor was te Elsloo valt moeilijk te zeggen. Karei Cleijans, zoon van de rentmeester van Elsloo, die later pastoor wordt in Berg, getuigt in 1704, dat hij in zijn jeugd bij pastoor Duijfkens op school is geweest.
1640 In dit jaar op 15 September is Jan Lambrechts na examen toegelaten als pastoor te Elsloo. Rond 1640 was de Augustijn pater Hennisdael, een broer van de schout van Elsloo, plaatsvervanger van de pastoor. Lambrechts werd in December 1644 pastoor te Born.
1645 Na het bedanken van Lambrechts werd in 1645 op 27 Mei door de heer van Elsloo te Namen als pastoor voorgesteld Matthias Cobus en deze werd op 13 Juni werkelijk benoemd. Hij vertrok echter nog in hetzelfde jaar naar Valkenburg.
Vandaar dat we in dit jaar nog een tweede pastoor krijgen en wel Jan Baptist van den Dries, die 4 November door de heer van Elsloo te Brussel werd voorgesteld en 14 dagen later (18 November) vanuit Luik zijn benoeming kreeg. Hij is echter reeds na een paar jaar overleden.
1648 Ook dit jaar stond in het kenteken der vernieuwing. Na de dood van pastoor van den Dries werd op 2 Juni voorgesteld en op 22 Juni benoemd Dionysius de Bare. Deze heeft echter zeer spoedig bedankt, want in September had Elsloo geen pastoor.
In de herfst van dit jaar moet als pastoor benoemd zijn Franciscus van Heer, die echter goed twee jaar later weer vertrok om elders pastoor te worden. Wat deze tijd betreft, had de kerkmeester van Elsloo wel eens kunnen zuchten: “We kunnen de sjupkes wel bij het dozijn bestellen”. In Stein was dat hetzelfde. Vermoedelijk kwam dit door de vele doortrekkende soldaten, die alles verwoestten, zodat er geen bestaan mogelijk was en elke open plaats elders als een bevordering beschouwd werd.
1651 Na het vertrek van Van Heer kreeg Elsloo eindelijk weer eens een pastoor die hier tot zijn dood zou blijven en wel Petrus Anthonius Le Dieu. Hij was te Maastricht geboren en kapelaan aan de Sint Servaas te Maastricht, toen hij hoorde van zijn kans om pastoor te worden te Elsloo. De heer van Elsloo vertoefde op dat ogenblik te Maastricht. Op 14 Februari van dit jaar verkreeg hij zijn voordracht, ging onmiddellijk naar Luik en reeds daags daarna volgde zijn aanstelling (15 Februari). Ook zijn moeder kwam in Elsloo bij hem wonen en overleed 17 Februari. 1678; zij was 98 jaar oud. Toen Le Dieu pastoor werd had Elsloo rond 400 communicanten; dat waren dus allemaal personen boven 12 jaar. Le Dieu is in 1690 gestorven.
1691 Philippus Nabben uit Maastricht was zijn opvolger. Hij is echter reeds 17 September 1694 overleden. Van hem staat aangetekend, dat hij vol ijver was. Hij werd het slachtoffer van de pest.
1694 De Hoog Mogende Heeren Staten Generaal in Den Haag, die zich in deze tijd eigenaar achtten van de heerlijkheid Elsloo, hebben het recht van voordracht uitgeoefend en Ludovicus Dubar, afkomstig van Maastricht aan de aartsdiaken voorgesteld. Dubar is 6 October 1694 als pastoor benoemd. De heer van Elsloo aanvaardde hem 22 Juli 1699. Hij was de man, die begon te zorgen voor een goede parochiële administratie en vaste registers aanlegde voor doopsels, huwelijken en overlijden. Hij was een ijverig priester, die de eredienst tot het H. Sacrament bevorderde en meerdere andersdenkenden tot de katholieke kerk terugbracht. Dubar stierf in de morgen van 2 Maart 1715.
1715 Opvolger werd nu Petrus Lenaers, geboortig van Elsloo, zoon van Lenaert Lenaers en Cornelia Hendriks. Hij werd benoemd 19 Juni 1715 en had al spoedig ruzie met de erfgenamen van de vorige pastoor, die hem uitscholden voor een onwetend en aanmatigend individu. Er kan iets van aan geweest zijn, want 5 Augustus van dit jaar verkreeg hij verlof om te gaan studeren en uit zijn parochie afwezig te zijn. Intussen werd als plaatsvervanger aangesteld pater Jacobus Macquo, een Dominicaan van Maastricht. Het is mogelijk dat deze pater Dominicaan de rozenkransbroederschap heeft gesticht. Pastoor Lenaers was overigens dikwijls ziek en had verschillende assistenten. Vanaf 1740 was dat Nicolaas Thomassen, die ook na zijn dood de parochie waarnam. Lenaers stierf te Elsloo, 25 November 1744, en werd in het koor der kerk begraven.
1745 Petrus Timmermans uit Bilsen volgde op. Hij had wel als plaatsvervanger in 1748 een zekere Christ Janssens; wellicht dat hij in deze tijd nog studeerde. Onder hem brandde 17 Augustus 1764 de pastorie af. Hij bouwde ze op eigen kosten weer op en rekende daarvoor op het gebed van zijn opvolgers, die van zijn weldaad zouden profiteren. Op 23 December 1776 kreeg hij een beroerte en stierf op de 2e kerstdag.
1777 Een oud-Jezuïet, Henricus Daemen uit Wijk bij Maastricht, werd 23 Juni 1777 pastoor benoemd. Hij was 2 December 1736 geboren en te Mechelen op 25 September 1754 in de orde getreden. Onder invloed van de vijanden der kerk werden de Jezuïeten 21 Juli 1773 opgeheven. Doch ook in Elsloo zou pastoor Daemen geen rust vinden. De Franse revolutie was in aantocht en op 1 Oktober 1795 werd Elsloo kortweg bij Frankrijk ingelijfd. Spoedig liet de kerkvervolging in Frankrijk ook hier haar invloed gelden. Men had daar de koning vermoord en was “de rede” als godin gaan aanbidden. Van de geestelijkheid eiste men een eed van haat aan het koningschap en trouw aan de revolutie; wie weigerde, moest in ballingschap gaan, wilde hij niet gegrepen worden en opgesloten in het concentratiekamp van het eiland Ré of elders. De paus had die eed veroordeeld en onder voorgaan der bisschoppen weigerde de geestelijkheid bijna eensgezind die eed af te leggen. Ook pastoor Daemen aarzelde niet. Franse soldaten begonnen overal jacht te maken op de geestelijken en die mensen streng en meedogenloos te straffen, die hen durfden beschermen of verbergen. Vandaar dat de meesten het land verlieten. Eind Augustus 1797 hield pastoor Daemen op publiek in de kerk de heilige diensten te doen. In het verborgen ging hij echter door tot eind 1797, toen hij gevangen genomen en onder vele kwellingen naar Maastricht werd gevoerd (eind Januari 1798). Enkele dagen later slaagde hij erin te ontsnappen (3 Februari), vluchtte de Rijn over naar Emmerich en ging enige tijd later als missionaris naar Rotterdam, waar hij 22 Januari 1800 overleed.
Onder pastoor Daemen was er in 1779 een nieuw hoogaltaar geplaatst in de kerk, dat door wijbisschop van Luik, Karel Alexander van Arberg, geconsacreerd werd. Ook zorgde pastoor Daemen voor verschillende relikwieën, zoals die van de H. Franciscus Xaverius, apostel der Indiën.
Toen pastoor Daemen weg was, is de zielzorg in het geheim waargenomen door een ander oud Jezuïet, Renier Smeets, pastoor van Geul, die hier onder allerlei vermommingen rondtrok. Er waren nog andere zwervers voor de Heer, zoals pastoor Loijens van Itteren en vooral een oud-Minderbroeder, Thomas Voncken, van Meerssen geboortig, die als dokter, marskramer en boer te Elsloo de mensen bezocht en de sacramenten toediende. Ook gingen de gelovigen wel naar het naburig Guliks gebied, als Sittard enz., waar groter vrijheid was, om daar de kinderen te laten dopen.
1800 Na de dood van pastoor Daemen werd Matthias Servatius Kerckhofs van Beek met de parochie van Elsloo belast, door graaf d’Arberg. Hij was 15 Mei 1768 te Beek geboren en in Juni 1791 te Roermond priester gewijd. Sindsdien was hij waarnemend pastoor geworden te Bunde. Op de vooravond van het feest van Sint Jan de Doper, 23 Juni 1800, werd hij door pastoor Smeets van Geul namens de land- deken ingeleid als pastoor van Elsloo. Omdat hij echter zonder verlof van de bisschop Bunde niet mocht verlaten, bleef pastoor Smeets nog een tijd de zielzorg waarnemen in Elsloo. Doch de tijden waren intussen wat rustiger geworden en kort daarop is Kerckhofs te Elsloo in werkelijke dienst getreden. In 1826 is Kerckhofs pastoor geworden te Maaseik en tenslotte in 1833 vicaris generaal te Luik. Hij stierf 11 Juni 1838 en werd twee dagen later te Elsloo begraven.
1826 Nu kwam naar Elsloo Antonius Willems, te Sittard geboren 7 September 1775. Hij was in 1794 Minderbroeder geworden te Slavante bij Maastricht en was daar in 1798 priester gewijd. Toen zijn kloostergemeenschap te Erkelenz in 1802 was opgeheven, werd hij kapelaan in Sittard en in 1811 pastoor te Susteren. Op 28 Juni 1826 werd hij ingeleid als pastoor te Elsloo en stierf daar 64 jaar oud, 4Oktober 1839, op het feest van Sint Franciscus.
1839 Opvolger en naamgenoot, Petrus Willems, was reeds 10 jaar kapelaar. geweest te Elsloo, toen hij in 1839 pastoor werd. Hij was geboren 29 Juni 1803 te Attenhoven bij Landen (Luik), priester gewijd te Munster, Pasen 1829 en vroeg ontslag als pastoor in Oktober 1883 en stierf ruim een jaar later te Elsloo, 2 December 1884. Het is onder hem, dat in 1848 aan de tegenwoordige kerk van Elsloo begonnen werd.
1883 Hem volgde op Henricus Haesen, geboren te Oud Vroenhoven bij Maastricht, 4 Juni 1831. Hij was priester gewijd te Roermond 28 Maart 1857, in October (8 October) van dat jaar kapelaan geworden te Mheer, vervolgens 20 Februari 1871 pastoor te Schulder, en tenslotte te Elsloo op 18 October 1883. Hij is te Elsloo gestorven 27 Januari 1905.
1905 Joseph Albert Thissen, geboren te Sittard 20 April 1859, priester gewijd in 1888, was achtereenvolgens rector van de broeders te Roermond en kapelaan aan de kathedrale kerk. Hij werd pastoor benoemd van Elsloo op 11 Februari 1905 en geïnstalleerd op 7 Maart. Van hieruit vertrok hij als deken naar Schinnen 19 Juli 1914 en overleed aldaar 26 Maart 1921.
1914 G. J. J. Wouters, geboren 24 Oktober 1866; gewijd 12 April 1892: was kapelaan te Nederweert (1893) en aan de Sint Servaas te Maastricht (1903) tot hij in 1914 pastoor werd te Elsloo. Ging van hier als pastoor naar Thorn 10 Februari 1921, waar hij nog is.
1921 J. H. E. Biermans, geboren te Meerloo 3 Mei 1870, gewijd in 1896, werd in hetzelfde jaar kapelaan te Elsloo; ging van hier in 1902 naar Echt, dan in 1906 naar de Sint Servaas in Maastricht, om in 1921 als pastoor terug te keren naar Elsloo. Hij bedankte in 1936 en bleef hier wonen tot zijn dood 2 April 1944.
1936 J. W. Houben, geboren 12 Juni 1892, werd gewijd 24 Maart 1917, waarna hij kapelaan werd te Sint Geertruid, vervolgens te Cadier en Keer (1921), om in 1927 kapelaan te worden in Elsloo en daarna in 1936 op te volgen als pastoor. Van hieruit werd hij in 1941 verplaatst als pastoor naar Schandelen bij Heerlen.
1941 J. J. E. Helgers, geboren 21 October 1897, gewijd 1 April 1922, om kapelaan te worden te Venlo en later rector (1936). In 1941 volgde zijn aanstelling als pastoor te Elsloo tot zijn overplaatsing naar Nuth, 22 September 1945.
1945 J. J. M. Schoolmeesters, geboren 17 November 1896, gewijd 5 April 1924 en in datzelfde jaar kapelaan te Sittard tot 7 September 1945 op welke datum hij pastoor werd te Elsloo, om in April 1949 als zodanig naar Beek te vertrekken.
1949 J. E. L. Th. Bertin, geboren te Maastricht 5 Maart 1900; gewijd 28 Maart 1925 en in dat jaar kapelaan te Beek tot aan zijn pastoors benoeming in Elsloo 13 April 1949. Hij werd geïnstalleerd 22 Mei 1949.

3.4 5) De kapelaans

Onder “kapelaan” heeft men in de loop der tijden allerlei soorten van geestelijken verstaan, zelfs de plaatsvervangend pastoor. Kapelaans zoals wij ze kennen zijn eerst van de nieuwere tijd. De pastoor is de eigenlijke herder der parochie en vast daaraan verbonden. De kapelaan is zijn handlanger en helper, die onder zijn gezag en leiding mede de zielzorg uitoefent.
De parochies in de oude tijd waren meestal klein en door het rustige landelijke leven stelden ze veel minder problemen dan in onze tijd. Er was dus veel minder werk en één priester kon het werk best af. Biechten en te communie gaan zelfs gebeurden slechts zeldzaam. ‘Voor de drukkere dagen kwamen paters uit de naburige kloosters te hulp. Een blijvend kapelaan moest bovendien ook onderhouden worden.
Toch was het een groot voordeel indien er in een parochie blijvend een hulpgeestelijke was, niet enkel omdat er een tweede H. Mis kon zijn in uitgestrekter parochies met moeilijk verkeer, doch vooral omdat het godsdienstig onderricht en de geestelijke vorming veel beter konden zijn. Vandaar dat vooral sinds 1700 ook op kleinere plaatsen een z.g. “vroegmislezer” was, dikwijls een jeugdig, geestelijke, die nog op een pastoorsbenoeming wachtte, ofwel een beneficiant, die tegelijk koster of onderwijzer was in de parochieschool. Hij had een redelijk bestaan en kon er een beetje kapelaan bij zijn, doch oefende eigenlijk geen zielzorg uit.
Spoedig heeft men echter ook getracht een echte kapelanie te stichten, waaraan blijvend een geestelijke verbonden zou zijn en dus de opvolging gegarandeerd was, indien een vroegmislezer of beneficiant vertrok. Deze kapelaan had niet alleen ‘s-zondags de vroegmis te lezen en het godsdienstig onderricht te geven, doch was ook verplicht tot de zielzorg onder leiding van de pastoor.
Elsloo heeft reeds in de 18e eeuw enkele vroegmislezers gehad, die ook kapelaans genoemd worden, doch de eigenlijke stichting van de kapelanie is nog maar goed een eeuw geleden, toen de toestanden op kerkelijk gebied weinig meer van de onze verschilden.
Op 29 September 1833 werd voor notaris Petrus Dominicus Jesse te Maastricht een akte opgemaakt ten huize van Christ Bovens, herkomstig van Elsloo, doch toen wonend aan het O. L. Vrouwenklooster te Maastricht. Christ Bovens, rentenier, doodziek te bed liggend, weduwnaar van Anna Maria Claessen en ten tweede maal gehuwd met Margaretha Maria van Geleen, verklaart in dat stuk een kapelanie te willen stichten en vestigen in Elsloo. De kapelaan zal verplicht zijn drie dagen in de week, n.1. Maandag, Vrijdag en Zaterdag (behalve de twee laatste dagen van de goede week), de H. Mis op te dragen tot zijn intentie in de kerk van Elsloo en daarna een Onze Vader en Weesgegroet te bidden. De verplichting zal beginnen na zijn dood en die van zijn tweede vrouw.
Voor het onderhoud hiervan bestemt hij twee naast elkaar gelegen huizen op de Oude Moesmarkt te Maastricht; verder de interest van zeker kapitaal dat Joannes Swelsen te Ulestraten van hem heeft; tenslotte een aantal landerijen gelegen te Elsloo en te Stein. Verder vertrouwt de stichter dat de gemeente Elsloo de kapelaan op haar kosten een woning zal bouwen. De minute van deze akte is geregistreerd te Maastricht 13 Oktober 1833. Ook die woning is er gekomen, n.l. een oud huis, waarin in vroeger tijden de Jood van Elsloo gevestigd was en een slagerij had.
We laten nu een lijst volgen van vroegmislezers en kapelaans voor zover de gegevens gevonden werden.
1739 Kapelaan te Elsloo wordt op 20 Oktober van dit jaar genoemd: Peter Nicolaas Sebastiaan Thomassen. Pastoor Lenaers had wegens zijn ziekelijkheid een helper nodig. Na diens dood is hij gebleven om de parochie waar te nemen, totdat de opvolger, pastoor Timmermans, was aangesteld.
1745 Willem Renier Bovens, geboortig van Urmond, is één jaar kapelaan geweest te Elsloo. Hij zou protonotarius apostolicus geweest zijn en de titel van monseigneur gevoerd hebben (?). Op 3 Mei 1746 is hij te Elsloo overleden.
1748 Christiaan Janssens wordt in dit jaar enkele malen kapelaan genoemd te Elsloo, zonder dat we verder over gegevens daaromtrent beschikken.
1762 In Mei van dit jaar is Petrus Meesters kapelaan. Hij was dat nog drie jaar later, toen hij te Elsloo stierf, 22 Mei 1765 (begrafenis).
1765 Van Everardus Raedts, die geboortig was uit Vlijtingen bij Maastricht wordt op zijn doodsprentje gezegd, dat hij 14 jaar kapelaan was te Elsloo. Dit kan moeilijk juist zijn, omdat hij eerst in 1789 uit Elsloo vertrok en zeker reeds 1 Juli 1768 kapelaan was te Elsloo. Vermoedelijk moet in plaats van 14 dus 24 gelezen worden, doch dan krijgen we een andere moeilijkheid, omdat Raedts eerst in 1742 geboren is en dus in 1765 slechts 23 jaar was. Raedts was ook beneficiant te Elsloo. Hij is in 1793 pastoor geworden te Stein en heeft er de zware tijd der revolutie mee gemaakt. Hij overleed te Stein in 1809.
1824 Na Raedts’ vertrek in 1789 kennen we voorlopig nog geen kapelaan vóór dit jaar, toen P. J. Gijbbels benoemd werd, die tot 1829 bleef.
1829 Petrus Willems, die in 1839 pastoor werd, zie hiervoor.
1848 Misschien was Joseph Smeets de onmiddellijke opvolger van Willems, doch onze gegevens zeggen slechts dat hij in Mei 1848 kapelaan was.
1857 P. J. Welters, geboren te Echt in 1819; gewijd 1847; kapelaan te Baarlo 1848; te Elsloo 1857-1868; daarna 30 September 1868 pastoor te Itteren tot 1888 en te Echt overleden 8 Augustus 1889.
1868 ]. L. H. Leonard, geboren te Maastricht in 1840; gewijd 1866; kapelaan te Elsloo 1868-1887; pastoor te Spaubeek 1887-1894; in 1894 pastoor te Gronsveld en daar gestorven 5 Juli 1895.
1887 J. H. H. Bartholomeus, geboren te Maastricht in 1843; gewijd 1872; kapelaan te Elsloo van 1887 tot aan zijn dood 18 Februari 1891.
1891 J. M. F. van Genabeth, geboren te Wessem 11 Juni 1852; gewijd 1880; kapelaan te Elsloo 1891-1896; daarna pastoor te Sint Pieter tot 1914; daarna rustend te Maastricht tot aan zijn dood 29 Februari 1932.
1896 J. H. E. Biermans, kapelaan te Elsloo 1896-1902; later hier pastoor, zie hiervoor.
1902 G. A. H. Teney, geboren te Noorbeek 17 Augustus 1862; gewijd 1889, kapelaan te Elsloo 1902-1908; dan pastoor Heugem en in 1920 pastoor te Maasbracht; overleden te Roermond 15 November 1931.
1908 J. M. Hermans, geboren te Nuth 4 Februari 1870- gewijd 10 Maart 1894; kapelaan te Klimmen 16 September 1894; daarna te Elsloo 26 September 1908 tot hij pastoor werd te Holtum 2 November 1917; sinds 1945 rustend aldaar.
1918 M. Alberts, geboren te Einighausen 30 September 1889; gewijd 1915; kapelaan te Ulestraten; dan kapelaan te Elsloo 1918-1925; daarna rector en pastoor te Puth; tenslotte pastoor te Stein sinds 1941.
1925 J. G. H. Grubben, geboren 1898; gewijd 1925 en in datzelfde jaar kapelaan te Elsloo; daarna te Maastricht 1927-1947 en sindsdien pastoor te Gronsveld.
1927 J. W. Houben, kapelaan 1927-1936 en vervolgens pastoor te Elsloo. zie hiervoor.
1936 L. J. H. Pelzer, geboren 1903; gewijd 1930; kapelaan Stevensweert; daarna te Horn (1934) en dan te Elsloo 1936-1941; sindsdien kapelaan te Nuth.
1941 R. A. Lebens, geboren 1903; gewijd 1928; professor te Sittard tot 1940; dan rector te Mechelen en 1941-1947 kapelaan te Elsloo; sindsdien pastoor te Dieteren.
1947 J. A. G. Bours, geboren 1915; gewijd 1940; kapelaan te Heel; in 1941 naar Munstergeleen; sinds 1947 kapelaan te Elsloo.

3.5 6) Beneficies en rectoren

Met het voorgaande zijn we wel erg in de tegenwoordige tijd geraakt; we moeten nog even naar de oude geschiedenis terugkeren. Pastoors en kapelaans zijn voor een parochie noodzakelijk; beneficies en hun rectoren vormen een zekere luxe. Beneficies waren stichtingen; een altaar in kerk of kapel, waaraan goederen en inkomsten verbonden waren en die door een rector of beneficiant beheerd werden. Ze waren meestal gesticht door vrome mensen om de goddelijke eredienst te bevorderen, of door bekeerlingen om eerherstel te doen voor bedreven misdaden of door stervenden tot lafenis hunner ziel na de dood. Ook broederschappen en gilden hadden hun eigen altaren in de kerk, die met inkomsten begiftigd waren.
Aan zulk een beneficie was de plicht verbonden om eens of meermaals per week de H. Mis op te dragen. Verder moest de rector het beneficie- altaar of kapel onderhouden, de misbenodigdheden verschaffen uit zijn inkomsten en de goederen registreren en zorgvuldig beheren. Aan het beneficie was echter geen zielzorg verbonden. De beneficies waren geestelijke stichtingen en de rector behoorde dus eigenlijk een geestelijke te zijn, doch zeer dikwijls waren de beneficies in handen van leken, die de vruchten genoten en voor een gering bedrag een of ander geestelijke, b.v. de pastoor der parochie, bestelden om de verplichte H. Missen te lezen. Indien de beneficiant een geestelijke was en in de parochie verbleef, dan vervulde hij meestal tegelijk de taak van vroegmislezer ‘s-Zondags, of die van schoolmeester of koster. Doch de meeste geestelijke beneficianten verbleven niet in de parochie, doch waren elders pastoor of leraar en lieten anderen hun verplichtingen nakomen.
In Elsloo worden in de kerk vijf altaren vermeld. Alhoewel soms ook aan het altaar van O. L. Vrouw en dat van Sint Matthias inkomsten toegeschreven worden (èlk 4 mud tarwe), toch waren die twee geen beneficies en was er geen geestelijke mee belast; dikwijls ook staat in de registers dat ze geen goederen hadden en meestal worden ze eenvoudig als onbelangrijk verwaarloosd. Doch er waren drie eigenlijke geconsacreerde beneficie- altaren met landerijen en een eigen rector. Het waren de altaren van Sint Nicolaas, van Sint Katharina en van Sint Agatha. In het parochie-archief is de lijst van goederen nog bewaard, die er toe behoorden. Na de Franse revolutie zijn deze goederen, voor zover ze niet verloren gegaan zijn (weggespoeld door de Maas, enz.) ten dele aan de kapelanie gekomen, of in de gewone parochiële stichtingen opgenomen. Evenals voor het pastoors- ambt had de heer van Elsloo ook voor de beneficies het recht van voordracht en meermaals heeft hij zijn zoons daartoe voorgedragen.
De heer van Elsloo heeft zich wel eens hinderlijk met die beneficies bemoeid. Ten gevolge van het traktaat van 1661, waardoor het land van Valkenburg aan de Staten Generaal in Den Haag gekomen was, is de heer van Elsloo van zijn heerlijkheid beroofd. Op 3 April 1699 kreeg graaf d’Arberg die evenwel weer terug. De pastoor die intussen, zoals we zagen, op voordracht der Staten Generaal was aangesteld, werd door hem erkend, doch niet de beneficianten. Hij benoemde zelfs anderen. Toen dit niet doorging, trachtte hij op andere wijze invloed te verkrijgen. Nog in Oktober 1710 schreef hij naar Luik, dat de kerk voor zijn terugkomst erg verwaarloosd was. Nadat hij Elsloo teruggekregen had, was de kerk door hem in goeden staat gebracht, doch de drie beneficianten bleven hun altaren verwaarlozen. Hij verzocht dus de inkomsten der beneficies in beslag te mogen nemen om de altaren opnieuw in orde te brengen.
De aartsdiaken ging daarop niet in, doch gaf 31 Oktober 1710 aan de beneficianten het bevel, dat ze zelf voor hun altaren moesten zorgen. De beneficianten antwoordden, dat het allemaal slechts voorwendsels waren om zelf de inkomsten te kunnen besteden en overal toezicht op te krijgen.
Graaf d'Arberg liet het er niet bij, doch herhaalde 19 December van dat jaar zijn verzoek. Wel kregen de beneficianten nogmaals een gelijk bevel uit Luik; bovendien werd hen 7 Januari 1711 bevolen, dat zij volgens hun plicht hun landerijen met bomen moesten beplanten en behoorlijk in cultuur brengen, voor zover de grond dat toeliet. Zelfs werd aan de pastoor samen met drossaard Salden enig toezicht daarop verleend, doch verder kwam men niet. Op deze moeilijkheden komen we overigens bij de afzonderlijke beneficies nog even terug.

3.5.1 Het altaar van Sint Katrien

Een der grootste volksheiligen der middeleeuwen was de H. Katharina. Bijna zonder uitzondering bezaten de parochiekerken altaren en beelden te harer ere. Volgens de overlevering was zij uit voorname familie, verdedigde voor de keizer het Katholieke geloof tegen vijftig wijsgeren, die zich bekeerden en werd tenslotte zelf veroordeeld om op een rad gemarteld te worden. Op haar gebed echter brak het rad; zij werd onthoofd en haar lijk werd door een engel op de berg Sinaï begraven.
De H. Katharina, een der veertien helpers in de menselijke noden, werd vooral vereerd tegen de pestziekte, die in de middeleeuwen zozeer gevreesd werd. En niet ten onrechte, want de “zwarte dood” heeft voornamelijk in de jaren 1350-1400 Europa voor een groot deel ontvolkt.
Het beneficie van Sint Katrien was het voornaamste van de drie in Elsloo, die elkaar overigens niet veel toegaven. De inkomsten bedroegen in de 16e eeuw 14 mud tarwe, terwijl de opgave van 1647 de som geeft van ruim honderd rijksdaalder. Daarbij kwam nog enig ander geld en kleine tienden. De verplichting was één H. Mis per week. Aan hem die deze dienst verrichtte betaalde de rector op het einde der 18e eeuw 30 gulden per jaar.
Rectoren waren:
1400-1427. Op 3 September van het jaar 1400 werd als rector toegelaten zekere Oest, Oestardus of Oestaneus, zoon van Hubertus van Bunde. In 1421 werd zijn altaar bediend door de priester Christ Groetjans, terwijl in 1427 Lambertus van Steijn, seculier priester, voor hem de H. Missen las.
1459-1479. Rector was Renerus Dynen of Dymen of van Dynen. Hij was afwezig.
1485-1487. Rector Balduinus Baeffs of Bouffort.
1510. In dit jaar bedankte Balduinus Taverne als rector. De heer van Elsloo, Henricus van Gavre, droeg ter benoeming voor als rector, de geestelijke Nicolaas Houwen, die werd toegelaten.
1536-1545. Rector was Lambertus van Weert, afwezig. Dat Weert hier een plaatsnaam aanduidt blijkt hieruit, dat sommige registers zeggen; Lambertus uit Weert. De jaartallen zijn enigszins onzeker.
1552-1562. Rector Heer Nicolaas de Gavre, zoon van de heer van Elsloo.
1625. Rector Joannes de Saive, deken aan de O.L. Vrouwekerk te Maastricht.
1642-1710. Rector was Karel Cleijans. Hij wordt Maastrichtenaar genoemd, doch zijn vader was rentmeester van Elsloo, waar ook zijn broer Matthias een beneficie bezat. Cleijans ging school bij pastoor Duijfkens en werd priester. De titel waarop hij priester gewijd werd, was juist dit beneficie van Sint Katharina in de kerk van Elsloo. Hij werd pastoor in Berg. Met zijn beneficie te Elsloo kreeg hij de grootste moeilijkheden, sinds de Staten Generaal Elsloo in hun macht hadden. Doch ook toen de heer van Elsloo in 1699 terugkeerde verdwenen de moeilijkheden niet, wijl deze op 15 Juni van dit jaar Philippus Bex uit Luik als rector voordroeg. De aartsdiaken liet deze voordracht op drie achtereenvolgende zondagen in de kerk afkondigen en riep alle belanghebbenden op (24 Juli 1699). Deze is nooit benoemd, daar zowel Cleijans als kanunnik Maes ertegenop kwamen. Nog elders wordt Matthias Brughmans als rector van dit altaar genoemd, die nog slechts 40 jaar oud, op 29 Januari 1702 te Elsloo overleed. Misschien was deze enkel mislezer. Bovendien weten we dat het recht van Cleijans nog betwist werd door kanunnik Joannes Everardus Maes. Heel deze verwarring komt waarschijnlijk van die wisseling in de heerschappij te Elsloo.
In elk geval begin 1708 was “de laatste rector” overleden. Nu trachtte Lenart Lenaers, een beambte van de heer van Elsloo, het beneficie te verkrijgen voor zijn zoon Petrus, die priester zou gaan worden. Schout Salden en graaf d’Arberg waren op zijn hand. Onder voorwendsel, dat die goederen betwist werden, verzocht graaf d'Arberg ze in beslag te mogen nemen. De aartsdiaken te Luik vaardigde 5 April 1708 een decreet van in beslagname uit, totdat de twist beslecht zou zijn. Doch hij droeg het beheer der goederen over aan de landdeken van Susteren, terwijl de pastoor van Elsloo de altaardiensten moest verrichten. Anderen werden onder bedreiging van zware kerkelijke straffen gewaarschuwd, zich niet in deze zaken te mengen.
Deze beschikking was allerminst naar de zin van de belanghebbenden te Elsloo. De graaf maakte dan ook aanstonds bezwaar tegen deze Luikse beschikking en wel omdat het beheer der goederen aan de Gulikse landdeken was opgedragen, die hij te Elsloo niet wilde erkennen, omdat daardoor zijn eigen gezag geschaad werd. Hij vroeg de aartsdiaken dus een ander buiten Guliks gebied met het beheer te belasten, en stelde daartoe zijn schout Salden voor. De aartsdiaken kwam de graaf ten dele tegemoet en stelde 21 Mei 1708 de pastoor van Steijn, Henricus van der Meeren, aan als beheerder van het betwiste beneficie. Zo staat het althans in de registers te Luik. Doch ook dit is niet doorgegaan! In Elsloo heeft men tenslotte volledig zijn zin gekregen, en de jeugdige Petrus Lenaers zelf, alhoewel nog minderjarig, is tenslotte tot beheerder aangesteld. Hij had reeds de kruinschering ontvangen; zijn aanstelling is op 21 Mei 1708 gedateerd.
De eigenlijke rechthebbende Karel Cleijans, een stokoud man, kwam op zijn beurt hiertegen in verzet en verkreeg dat de in beslagneming op 12 Augustus 1709 weer opgeheven werd. Ofschoon Cleijans rechtmatig de vruchten van zijn beneficie waren toegekend, ging Lenaers door met het innen der inkomsten ten eigen bate. Cleijans protesteerde opnieuw en verkreeg 16 October 1710 een nieuw decreet tegen Lenaers. De heer van Elsloo vroeg daarop om de inkomsten die Lenaers had van het altaar van Sint Catharina te mogen besteden tot herstel van de verwaarloosde altaren, 31 Oktober 1710; de aartsdiaken stuurde dit naar Cleijans door. Bovendien werd tegen Cleijans op 16 November nog een nieuw decreet bewerkt, krachtens welk hijzelf rekenschap moest geven van de besteding zijner inkomsten. Cleijans antwoordde daarop met het aan de kaak stellen van de intriges zijner tegenstanders. Hij klaagt reeds 40 a 50 jaar van zijn rechtmatige inkomsten beroofd te zijn en intussen allerlei kostbare processen te hebben moeten voeren tegen kanunnik Maes. Hij verzoekt de twee Lenaers te verplichten rekenschap te geven van het beheer zijner goederen. Zelf zal hij zorgen zijn altaar te onderhouden en verzoekt bovendien, dat aan twee buurtpastoors mag opgedragen worden, om te zien of hij zijn plicht in deze gedaan heeft.
Op 12 December 1710 kwam daarop weer beslissing van de aartsdiaken. De twee Lenaers, vader en zoon, moeten rekenschap geven van hun beheer. Cleijans moet zorgen voor zijn altaar en de pastoors van Elsloo en Stein moeten berichten of dit behoorlijk gebeurd is. Eerst begin 1715 heeft Petrus Lenaers rekenschap afgelegd van zijn beheer. Waarschijnlijk was Cleijans toen reeds dood. Hij noemt een zeker bedrag, dat hij genoot, terwijl de rest door Cleijans onder bedreiging van de pachters is afgenomen. Van dat bedrag is bijna de helft aan administratiekosten opgegaan en nu vraagt hij de aartsdiaken de andere helft te mogen besteden aan het altaar van Sint Katrien. De aartsdiaken stond dat toe, 26 Januari 1715, doch Lenaers moet binnen het half jaar de besteding van dat geld verantwoorden. Het kan voor ons niet twijfelachtig zijn, dat recht en billijkheid in deze ver te zoeken zijn.
1712-1744. Rector Petrus Lenaers of Lenaerts, pastoor te Elsloo, die in het bovenstaande voldoende getekend is. Tegen hem maakte kanunnik Maes te Rome een proces aanhangig.
1780. In dit jaar was zekere Van Hees rector, die dat bleef tot aan zijn dood, die na 1783 voorviel. Hij was geen geestelijke.
1790. Opvolger van Van Hees als rector was de Limpens. Wanneer hij rector werd en hoelang hij het bleef, is onbekend. Ook hij was leek.

3.5.2 Het altaar van Sint Nicolaas

Een voornaam middel van bestaan te Elsloo was, naast de landbouw, de scheepvaart op de Maas. Niet enkel had Elsloo zijn eigen marktschip naar Maastricht, waarvan ook de omliggende dorpen gaarne gebruik maakten, doch in Elsloo waren reeds in de oude tijden transportdiensten gevestigd, die voor de binnenscheepvaart van het grootste belang waren. Men ontmoet Elsloose schippers in Luik, Dordrecht, enz.
Vermoedelijk dat hieraan het Sint Nicolaas altaar te Elsloo zijn bestaan dankt. Sint Nicolaas, die sinds 1100 in onze streken een groot volksheilige werd, was heel bijzonder de patroon der schippers en in alle oude havenplaatsen vindt men zijn kerken, kapellen en altaren. De vroegste gegevens voor Elsloo, n.l. het jaar 1400, vermelden reeds dat Sint Nicolaas altaar in onze kerk. Dit altaar werd wel het “altaar van het kasteel’ (castrale) genoemd, zonder dat precies duidelijk is, wat daarmee bedoeld wordt. Het bedrag der inkomsten is niet onaanzienlijk. Rond 1558 zou het 12 mud tarwe bedragen hebben; in 1620-1623 staat aangetekend 11 mud; in 1647 wordt gezegd, dat de inkomsten ongeveer honderd rijksdaalder zijn. In 1712 was er nog 5,50 bunder land over dat 55 vat tarwe opleverde. De rest was door de Maas weggespoeld. De verplichting was één wekelijkse H. Mis.
We kennen slechts weinig rectoren:
1421-1427, rector Johannes van der Linden, die afwezig was. In 1421 was zijn plaatsvervanger de priester Christ Groetjans; in 1427 Stephanus van Goyle (Geulle), seculier priester.
1443-1460, rector Henricus Cleijnjans, die in dit laatste jaar licentiaat in de rechten genoemd wordt. Hij was afwezig. De diensten werden waargenomen door de pastoor van Elsloo.
1462-1479, rector Antonius Capitis (Kops), die eveneens afwezig was, zonder dat we zijn vervanger kennen.
1485-1487, Antonius van Roosendaal, student in het kerkelijk recht te Leuven.
1620-1633, rector Aegidius van Dormal.
1646. Na diens dood werd 14 Januari 1646 als rector voorgesteld Matthias Cleijans, broer van Karei, die reeds genoemd is; op 13 April ontving hij zijn aanstelling.
1690-1712, rector Nicolaas Deurlinx. Als “jonge man” was Deurlinx in 1690 reeds rector. Hij was blijkbaar geen geestelijke en vertoefde niet in Elsloo. Na de terugkeer van de baron van Elsloo in 1699 kwam ook zijn beneficie in moeilijkheden. Bij de kerkvisistatie te Elsloo in 1706 was gebleken, dat het Sint Nicolaasbeneficie erg verwaarloosd was en vooral dat de verplichte missen niet gelezen werden. Vandaar was er bevel gekomen van Luik om dat onmiddellijk te veranderen. Naar het schijnt is Deurlinx daar nogal traag in geweest. Toen de aartsdiaken dat vernam, kreeg de rector op 22 Januari 1707 het bevel om binnen acht dagen maatregelen te nemen, anders zou hij van zijn beneficie gesuspendeerd worden. Deurlinx verontschuldigde zich, beloofde de vergeten missen in te halen en te zorgen dat de wekelijkse mis hervat zou worden. Vandaar dat de aartsdiaken 15 Februari 1707 hem zijn tevredenheid betuigde, hem van alle kerkelijke straf ontsloeg en beval hem niet in zijn bezit te storen.
In 1710 begon de heer van Elsloo zijn actie tegen de beneficies met klachten over verwaarlozing en verzoek om in beslagname. Het altaar van Sint Nicolaas, dat midden in de kerk tegen de zijwand stond (waarschijnlijk noordmuur), wilde hij verwijderen. De aartsdiaken gaf 31 Oktober 1710 slechts het bevel om binnen 14 dagen de altaren in orde te brengen, anders zouden de inkomsten in beslag genomen worden. Graaf d’Arberg was daarmee niet tevreden en schreef spoedig daarop een nieuwe brief, als vergever van de beneficies in de kerk van Elsloo. Hij verklaart, dat het altaar van Sint Nicolaas bijna midden in de kerk een geheel verkeerde plaats inneemt. Hij zou dat altaar liefst maar helemaal willen wegnemen. De altaartafel zou dan overgebracht kunnen worden naar de kapel van het gehucht Catsop ofwel in de muur der parochiekerk ingemetseld kunnen worden. Het beeld van Sint Nicolaas zou dan in de kerk naast het altaar van Sint Agatha geplaatst kunnen worden. De heer vraagt vervolgens om zijn beneficianten te mogen bevelen aan het herstel van hun altaren te werken en aan drossaard Salden het toezicht daarover op te dragen. In een begeleidend briefje van 19 December 1710 verklaarde rector Deurlinx, dat hij het er mee eens was, om het altaar van Sint Nicolaas te verwijderen.
Hierop volgde een decreet uit Luik, de 7 Januari 1711, waarin de aartsdiaken verlof gaf het Sint Nicolaas-altaar te verwijderen. De altaartafel moest op een geschikte plaats in de parochiekerk geplaatst worden en het beeld van de heilige naast het altaar van Sint Agatha. Nochtans de verering moest blijven bestaan, de missen moesten doorgaan en het beeld van de heilige moest versierd en in orde gehouden’ worden. Nadat het altaar weggenomen was gaf de aartsdiaken in 1712 verlof de H. Missen voortaan te lezen aan het hoogaltaar.
1780. Al was het altaar nu afgebroken, het beneficie bleef toch bestaan. Als rector wordt in dit jaar genoemd Hanrion van Nivelles; hij stierf vóór Sint Jan 1783 (dus 23 Juni?).
1783. Als rector van het beneficie trad in dit jaar op de reeds genoemde kapelaan van Elsloo Everardus Raedts, die in 1789 uit Elsloo vertrok.

3.5.3 Het altaar van St. Aechten[6]

Een der beroemdste volksheiligen uit de oudste tijd van het christendom is de heilige Agatha. Toen onze voorouders nog heidenen waren, werd ze reeds algemeen vereerd in de christenwereld. Agatha is heel bijzonder de beschermheilige tegen het vuur, omdat zij volgens de legende met haar sluier de vlammen doofde. Gewoonlijk vindt men haar voorgesteld met een brandende kaars in de hand. Als men bedenkt, dat in de middeleeuwen de huizen van hout waren en dat niemand tegen brand verzekerd was, dan begrijpt men hoe bang de mensen waren voor vuur, dat in een oogwenk hele dorpen en stadswijken in as kon leggen en iemands bezit voor het leven ontnemen. Ook was de heilige de patrones der klokkengieters.
Al wordt dit altaar niet vermeld in het oudste register dat we bezitten, toch zal het in 1400 al wel aanwezig geweest zijn. In elk geval wordt het reeds vermeld in 1415. In de kerk van 1459 stond het altaar aan de evangeliekant, gerekend vanaf het hoogaltaar. De inkomsten bedroegen in de 16e eeuw 12 mud tarwe en in 1647 had het altaar 24 bunder land. Nochtans moest de rector jaarlijks een belangrijk deel aan de armen geven. De Weerd te Meers behoorde reeds in de 15e eeuw aan het Sint Aechtenaltaar. Als verplichting had de rector elke twee weken drie H. Missen te lezen of te laten lezen aan dat altaar. De bedienaar, die deze plicht voor hem vervulde, gaf hij in de 18e eeuw jaarlijks 40 gulden, terwijl de kerk van Elsloo jaarlijks 7,50 gulden kreeg. Dit altaar had eigen kelk, missaal en gewaden.
Rectoren waren:
1436-1438. Rector Joannes van Geldrop. Vóór dit jaar wordt het altaar meermaals genoemd, doch nimmer de naam van een rector.
1441-1445. Rector is Renier van Schoonvorst, zoon van Conrad, de heer van Elsloo. Hij had als plaatsvervanger en mislezer in 1441 Lambertus van Ormunde (Urmond). In 1442 en later was dat Johannes de Tilia, alias van der Linden.
1459-1487. Rector Gerardus van Gronsfelt, student in de rechten te Leuven. Eigenlijk wordt deze rector slechts genoemd in de jaren 1459-1473; daarop staat dan in 1474 en 1475 zekere Johannes van Gronsfelt, student in de rechten te Leuven, aangegeven; dan volgt daarna weer 1477-1487 Gerardus van Gronsfelt. We vermoeden, dat we hier steeds met dezelfde persoon te doen hebben.
1523. Rector is Willem Schafts (?), afwezig.
1536-1553. Rector de Heer Renerus van Gavre, waarschijnlijk een zoon van de baron van Elsloo. Hij was afwezig; in de eerste jaren staat erbij dat hij studeerde in de rechten te Leuven. Uit het midden der 16e eeuw, omtrent deze jaren vonden we bovendien vermeld als rector van het Sint Aechtenaltaar: Conrard van Gavre, proost te Arnhem. Misschien hebben we met dezelfde persoon te doen. Wel zijn beiden, Renier en Conrard, als geestelijken bekend.
1633. Rector is Joannes, de zoon van Conrard Schafts. Het jaartal van dit register is onzeker.
1647-1663. In 1647 was rector Joannes a Lapide (van der Steen), kanunnik te Aken. Hij overleed 6 April 1663. De pastoor van Elsloo be¬diende het altaar.
1663. Opvolger als rector was Egilius Franciscus Tijff, die 23 April van dit jaar werd aangesteld.
1699. Door de heer van Elsloo’ werd 6 Juni 1699 tot rector voorgedragen Herman Frans de Malte, een geestelijke van het bisdom Luik, studerend te Leuven. Van Tijff zou bedankt hebben. De aartsdiaken beval weer drie afkondigingen in de kerk van Elsloo op Zondagen met veertien dagen tussenruimte (27 Juli 1699). Waarschijnlijk is de Malte niet benoemd. Ook tegen de bezitter van het Sint Agatha-altaar werden in het begin der 18e eeuw maatregelen gevraagd, doch we vernemen er verder niets van en vermoeden, dat dit enkel gebeurde om de schijn te redden en zonder argwaan tegen Cleijans te kunnen optreden.
1712. Rector Paschasij, een Luikenaar.
1723. Philippus Feron, rentmeester van de heer van Elsloo, was rector in dit jaar.
1780. De reeds meermaals genoemde wijbisschop van Luik, Karei Alexander graaf d’Arberg, broer van de heer van Elsloo, was rector van het beneficie van Sint Agatha. De wijding van het - altaar ging verloren, omdat de altaarsteen van zijn plaats werd gelicht. De doorluchtige rector kwam zelf zijn altaar opnieuw consacreren op 9 Juni 1780 ter ere van de H. Agatha en de H. Carolus zijn patroon. Hij metselde de relikwieën in van de heilige martelaren Pius en Luciaa, en verbond een tijdelijke aflaat aan het bezoek der kerk.
Stein L. Juli 1949.A. Munsters M.S.C.

4 Hoe de tegenwoordige kerk van Elsloo tot stand kwam

Bij de nadering van het in September 1949 te vieren eeuwfeest van onze kerk bleek al spoedig, dat er over de verwoesting van de oude en de opbouw van de nieuwe kerk heel weinig bekend was. Wat de overlevering daaromtrent verhaalt, kunt U elders in dit boekje vinden. Schrijver dezes stelde zich ten doel de authentieke bescheiden, voor zover deze nog in het parochieel en het gemeentelijk archief of elders binnen zijn bereik voorhanden zijn, te raadplegen en biedt U hierbij een kort verslag van zijn bevindingen aan.
De oude kerk, daterend van omstreeks 1459, was opgetrokken in zandsteen en zonder enige smaak voor bouworde vervaardigd. Ze was 14,7 Ned. el lang en 7,6 el breed. Met Ned. ellen zullen hier wel meters bedoeld zijn. De muren noemt men in 1843 verrot en vergaan en men zegt, dat ze toen al een halve eeuw bouwvallig was en alleenstaande gehouden kon worden door ze telkens met houten en ijzeren balken te versterken en te steunen. Uit vroegere gegevens is ons echter bekend, dat ze reeds in 1588 in zulk een desolate toestand verkeerde, dat ze niet meer geschikt was voor het houden van godsdienstoefeningen. De toenmalige heer van Elsloo, Coenraert van Gavre, die tevens tiendheffer was, droeg als zodanig de verantwoordelijkheid voor het schip der kerk en de grote banklok. De bouw en het onderhoud van de zijbeuken, de toren en het kerkmeubilair kwam voor rekening van anderen, het gemeentebestuur en de kerkeraad. Graaf de Gavre had al een paar jaar bij de gemeente aangedrongen op herstel van de kerk, doch de laatste toonde weinig bereidwilligheid. Om aan de onhoudbare toestand een einde te maken, wendde de Gavre zich in 1588 tot koning Filips de Tweede, die de schout, de schepenen, de kerkmeesters, de H. Geestmeesters en de gemeente voor de Raad van Brabant daagde. Hoe het vonnis uitviel, is ons onbekend. In alle geval staat het vast, dat het niet enkel voor mensen geldt, dat krakende wagens het langst meelopen. De oude kerk is er het bewijs voor. Maar bij de afbraak, nu een eeuw geleden, was er ook niets waardevols meer aan, want heel de afbraak bracht nog geen honderd gulden op.
Uit de hierboven genoemde gegevens blijkt ook, dat de oude kerk veel te klein was voor het dorp, dat toen 1150 zielen telde. Er werd wel heel weinig plaats ingenomen door het meubilair, banken of stoelen waren er niet, maar toch stonden de mensen op elkaar gepakt.
Volgens de gegevens woedde er in de nacht van 20 op 21 April 1843 over Elsloo een verschrikkelijk onweer. De naald van de toren werd door de bliksem getroffen, omver geworpen en vernietigd. De toren viel op het dak van de kerk en vernielde de woning van de pastoor. Ook het kerkdak en de muren werden op meerdere plaatsen door de bliksem getroffen en vertoonden scheuren en barsten. Om instorting te voorkomen, moest men het kerkgebouw stutten en de pastorie was onbewoonbaar geworden. Of de klokken toen naar beneden gevallen zijn, is ons niet met zekerheid bekend, doch het valt op, dat de opschriften op de beide grote klokken nadien zeer sterk gehavend en niet meer leesbaar waren.
Omdat er toch een Godshuis moest zijn, werd al spoedig beraadslaagd over de te nemen maatregelen, niet uitsluitend door het Kerkbestuur, ook de gemeenteraad nam hierin gedurende heel de bouwperiode een zeer werkzaam aandeel. Van het herstellen en gelijktijdig vergroten der oude kerk schijnt ternauwernood sprake geweest te zijn, eensdeels omdat de daarmee gemoeide kosten niet geringer zouden zijn dan die van nieuwbouw, anderdeels omdat vergroting alleen mogelijk zou zijn naar de kant van de toren en men daarvan niet anders dan een wanstaltig gebouw verwachtte. Ook had men goede redenen om aan te nemen, dat men bij nieuwbouw mocht rekenen op een veel ruimere bijdrage in de vorm van vrijwillige giften en op een grotere opbrengst van een voorgenomen loterij. Terloops merken we op, dat de oude kerk dwars voor de tegenwoordige lag met de toren naar de zijde van het huidige zustersklooster. Het besluit om een nieuwe kerk te bouwen viel dan ook reeds op 22 November 1843, werd wederom genomen in samenwerking tussen kerk- en gemeentebestuur en droeg ook blijkbaar de algemene goedkeuring van de plaatselijke bevolking. Men kon toen reeds rekenen op een geldelijke bijdrage van de parochianen aan ƒ 3665,70 in klinkende munt, terwijl ze zich tevens verbonden tot het verrichten van hand- en spandiensten, welke begroot werden op ƒ 4574,75. In een later rapport vonden we voor de vrijwillige bijdragen zelfs een bedrag van ƒ 6160.- vermeld, voorzeker een royale som, want de veertiger jaren stonden bij onze voorouders als de magerste jaren uit hun leven bekend.
Op dezelfde dag, de 22 November 1843, was men ook reeds in het bezit van een door de Maastrichtse bouwmeester Dumoulin ontworpen bouwplan, dat men met een begroting van de totale kosten tot een beloop van -ƒ 34353,- aan Gedeputeerde Staten in dit gewest deed toekomen.
Om de onkosten verder gedeeltelijk te dekken gaf Mgr. Paredis, destijds nog genoemd Apostolisch Administrateur in Limburg, bisschop van Hirene, verlof voor het opnemen van een hypotheek van ƒ 3000,- op de kerkelijke goederen. De gemeente vroeg aan Gedeputeerde Staten toestemming om ƒ 2500,- te lenen, welke ze voornemens was te delgen uit een hogere pacht voor de uitgestrekte gemeentegronden in de Graethei. Of de gemeente zelf veel waarde gehecht heeft aan de voorgenomen pachtverhoging, betwijfelen we ten zeerste, want de ervaring met de onwillige pachters over de laatste tien jaar deed eer het tegendeel verwachten. De gemeentelijke inkomsten waren daardoor aanmerkelijk gedaald, terwijl de veelvuldige procedures tegen wanbetalers en tegen een naburige gemeente, eveneens over het eigendomsrecht van ruim 40 bunder hei, zware eisen stelden aan de gemeentelijke financiën. In alle geval heeft het gemeentebestuur zijn goede wil getoond.
Ook had men vroegtijdig een beroep gedaan op koning Willem II, wel wetend, dat de Hollandse regering toen niet gauw afwijzend kon staan tegenover een subsidie-aanvrage afkomstig uit de pas enkele jaren tevoren bij Nederland gevoegde provincie Limburg. Die regering kreeg daardoor een welkome gelegenheid om het verwijt, dat ze uitgesproken Protestants was ingesteld, metterdaad te weerleggen. Toch liet het antwoord van de koning en de regering nog lang op zich wachten.
Zonder verwijl ging men over tot de keuze van een terrein, waarop de nieuwe kerk zou verrijzen en het aanbesteden van het maken der benodigde bakstenen. Het eerste punt moest men nog enige jaren aanhouden, want dit was onderworpen aan de sanctie van de hoogste instanties in den lande en weer bleek: hoe hoger de instantie, hoe langer de weg. Het bakken der stenen werd aanbesteed op 15 November 1843 voor notaris Boots, een oud-inwoner van Elsloo, doch toentertijd residerende te Amby. De voorwaarden waren van te voren bekend gemaakt. In de jaren 1844 en 1845 moesten 70 mond brikken gebakken worden. De plaats daarvoor was reeds door het gemeentebestuur aangewezen en afgepaald. Dit college zou ook zorgen voor een kuil of put, die het benodigde water leverde en voor de steenkolen, het zand, het stro en de staken. Het behield zich het recht voor de werkzaamheden tijdelijk stop te leggen, b.v. in de oogsttijd, als men niet over voldoende werkkrachten kon beschikken. Wanneer 5 mond stenen in de hagen stonden, zouden deze gekeurd worden, en wanneer ze voldeden, werd de aannemer daarvoor de helft van de hem daarvoor toekomende aannemingssom uitbetaald. De andere 50% ontving hij, wanneer de ovens uitgedoofd en goedgekeurd waren, waarbij men als maatstaf nam, dat er minstens twee klinkers tegen een bleke of verbrande geleverd moesten worden. Werd een oven afgekeurd, dan kon de aannemer geen aanspraak op de resterende 50% doen gelden. Voor de kolommen van de kerk moest hij stenen van afwijkende vorm leveren volgens door de gemeente te verstrekken model. Op 22 November 1843 had de gunning plaats aan een zekere W. (of D.) Vranken tegen een prijs van 30 francs per mond.
Intussen waren de voorbereidingen voor de te houden loterij in volle gang. Van de gebruikte loten bezitten we nog enige exemplaren. In Franse tekst maken ze gewag van de noodzakelijk geworden nieuwbouw ener kerk, de gemeentelijke kerk genaamd, en van de in de loop van 1844 te houden tentoonstelling, gevolgd door de verloting van de geëxposeerde voorwerpen, alles onder de auspiciën van een commissie, bestaande uit de pastoor en enige leden van de gemeenteraad, terwijl Gravin de Geloes-de Borchgrave de functie van beschermvrouwe op zich nam. Alles verliep volgens plan. Er werden 5099 loten tegen - een minimumprijs van 50 ct. geplaatst en op 12 November 1844 konden de tentoongestelde voorwerpen ten getale van 641 en bestaande uit schilderstukken, tekeningen, boeken, huismeubelen enz. enz. verloot worden. De tentoonstelling had plaats in de kerk evenals de trekking, waarbij een talrijk publiek aanwezig was. Er wordt nog bij gemeld, dat de loten door een machine met twee raderen onder elkaar gemengd werden, dat de prijzen een waarde hadden van 11 à 1200 gld., en dat de verloting niet minder dan 61 uur in beslag nam, van 10 uur in de voormiddag tot half vijf ’s avonds.
Over de jaren 1845 t/m 1847 vonden we opvallend weinig gegevens. De eerste ijver was zeker bekoeld, doch geheel stillagen de werkzaamheden niet. Men was nog steeds bezig met het bakken van stenen, waarvan er kleine kwantums aan particulieren verkocht werden. Niet minder dan 30 man waren bezig met het omzetten van grond tegen een dagloon van 70 ct. Er werden eiken gekocht en de timmerman benevens de putten- en pompenmaker waren in actie. Een steenhouwer was werkzaam gesteld en de z.g. “conducteur” Berger was ter plaatse aanwezig, want hij declareert boven zijn loon ook verteerkosten. De gelden kwamen geregeld binnen en voor zover deze niet direct benodigd waren, deponeerde men ze bij notaris Boots te Amby.
We vermoeden, dat men nog wilde wachten op de toekenning van de aangevraagde rijkssubsidie. Op 27 Januari 1848 werd deze eindelijk verleend tot een bedrag van ƒ 6000,-, uit te betalen in twee termijnen. Als voorwaarde werd o.a. gesteld, dat dé aanbesteding en het toezicht publiek zouden zijn. Aan toezicht bij het werk heeft het waarlijk niet ontbroken. Elke instantie, die mede financierde, wees een opzichter aan: het Rijk i.c. de Minister voor de zaken van de R. K. Eredienst de assistent-ingenieur J. F. W. Conrad, de conducteur Berger vertegenwoordigde waarschijnlijk de Rijkswaterstaat, terwijl de burgemeester het toezicht voor de gemeente overdroeg aan de eerste schepen Fredrix. Later kwam hierbij nog een uitgebreide gemengde commissie, zoals we straks zullen zien.
Op 12 Februari 1848 hielden kerk- en gemeentebestuur een gezamenlijke vergadering om nogmaals te beraadslagen over het bouwterrein voor de nieuwe kerk. Men besloot daarvoor te bezigen de boomgaard, genaamd de Oreanshof, liggende op 10 el van de oude kerk en naast de pastorie. Dit is zeker dezelfde, die al in de legende van de pelgrim Winandus aangeduid wordt met de naam Oriëntshof. Door aanplakking aan de kerkdeur werd het besluit ter kennis van de bevolking gebracht en er werd gelegenheid gegeven eventuele bezwaren in te dienen, waarvan evenwel geen gebruik gemaakt werd. Bovendien wenste men door ruiling de beschikking te krijgen over grond van twee particulieren. Dit lukte en op 2 Mei 1848 hechtte de betrokken Minister zijn goedkeuring aan de besluiten betreffende het bouwterrein.
Men kon nu aan de slag, doch het schijnt, dat men ook toen niet afkerig was van commissies. In April 1848 werd er tenminste nog een bouwcommissie geformeerd bestaande uit:
pastoor Willems en kapelaan Jos. Smeets,
de Kerkbestuursleden Math. Lenssen, Jan Jac. Fredrix
en de ontvanger van dit bestuur J. Claessen,
en de gemeenteraadsleden H. Lenssen en J. Van Mulken.
Op 18 Mei 1848 ging men onder notaris Boots over tot de openbare aanbesteding. Het bestek schreef voor de bouw van een kerk met koor, sacristie, toren, doop-, berg- en brandspuitenplaats. De bouw werd gegund aan Leonard Muysers, metselaar en aannemer te Roermond, voor de som van ƒ 8875,-. Als borg voor de aannemer fungeerde Gerard Gruiters, schrijnwerker en aannemer, eveneens te Roermond. Op 30 Mei d.a.v. hechtten de Gedeputeerde Staten hun goedkeuring aan de aanbesteding en de gunning.
Men is toen waarschijnlijk spoedig aan het werk gegaan, want de eerste termijn van de rijkssubsidie ten bedrage van ƒ 3000,- werd al op 8 Augustus 1848 betaalbaar gesteld bij de betaalmeester te Maastricht. Tegelijkertijd werd meegedeeld, dat de resterende ƒ 3000,- uitbetaald zou worden, zodra de toezichthoudende beambte van de Waterstaat de verklaring kon afleggen, dat het gebouw onder dak was gebracht. Dit geschiedde op 22 Februari 1849.
Zoals bij de meeste bouwwerken tussentijds wijzigingen aangebracht worden, zo geschiedde het ook bij de bouw van de kerk. Op 17 September 1848 besloten kerk- en gemeentebestuur n.l. om de kerk en de toren een el hoger te maken, dan het plan aangaf.
Uit de bouwperiode zijn diverse nota’s bewaard gebleven, b.v. voor het leveren van eiken en hout door inwoners van Geulle, Stein en Boorsheim, voor geleverde kalk, olie en verf, voor de levering van een houten haan, voor de werkzaamheden aan een put, enz.
Wanneer de kerk in gebruik genomen is, is niet precies bekend. De inscriptie in de steen boven de ingang van de kerk noemt slechts het jaar 1849. Op 1 Juli 1850 verzocht de Bouwcommissie de aannemer opgave te willen doen van hetgeen hij meende nog te mogen vorderen. Bij de eindafrekening werd hem nog uitbetaald:
ƒ 3823,23 zijnde het restant van de aannemingssom en ƒ 587,58 op rekening van buitengewone werken.
Van de oude kerk, die gesloopt werd, is slechts heel weinig overgebleven en wel in de grafkelder van de grafelijke familie de Geloes. De destijds hier wonende Mevrouw de gravin de Geloes- de Borchgrave had zich voor de kerkbouw verbonden tot een bijdrage van tweeduizend gulden onder voorwaarde, dat het Kerkbestuur een begraafplaats leverde voor haar en haar nakomelingen. Het Kerkbestuur willigde dit verzoek in, mede in acht nemende, dat de verzoekster boven genoemde som een bedrag schonk voor de armen, een ander voor de aanschaffing van kerkmeubelen en een meubelstuk voor de versiering van het hoogaltaar. De gevraagde begraafplaats was in feite reeds aanwezig op het “choor” van de oude kerk. De tegenwoordige grafkapel is dus het oude kerkkoor. In dit grafmonument, dat mogelijk nog bouwstoffen van de oude kerk bevat, rusten, elk in een aparte grafnis:
1Monseigneur Charles Alexander graaf dArberg, bisschop van Yperen[7], die op
13 Mei 1809 op het priesterkoor der oude kerk begraven werd;
2Charles Emile Marie Maurice Lambert Servais graaf de Geloes, op het kerkkoor begraven op 21 Oktober 1834;
3Valerie Pauline Constance Felicité gravin de Geloes dElsloo, aldaar begraven 23 Juni 1847;
4Antoinette Ernestine Francoise gravin de Borchgrave d’Altena, echtgenote van
no. 2, overleden te Elsloo 10 Maart 1860;
5Emilie baronnes de Meer, echtgenote van Theodoor Maurice Charles Constantin graaf de Geloes, in de grafkelder bijgezet op 17 November 1905.
Meerderen hebben in de loop der eeuwen hun laatste rustplaats gezocht op het koor der oude kerk, doch zij zijn de weg gegaan van alle stof. Slechts een van hen liet ons een herinnering na in de vorm van een grafsteen, die eertijds op het koor lag, maar in 1849 ingemetseld werd in de achtergevel van de grafkapel. Hij draagt tot opschrift “Hier ligt begraven edelen ende strengen Heere Heere Conrard van Gavere, ridder, Heer tot Elsloe, vrijheer tot Diepenbecke, Peer, Guell, St. Aechtenroede, Hettene, die starf in t jaer 1570 den 3den dach van May”.
Wij willen dit artikeltje, waarvan we gaarne erkennen, dat het zeer onvolledig is, besluiten met een woord van hulde aan onze voorouders uit het midden van de vorige eeuw:
hun bestuurscolleges werkten eendrachtig samen om de grootse taak, die op hun schouders gelegd was, zo goed mogelijk te volbrengen;
de burgerij wist ook in tijden van geringe welstand offers te brengen voor haar Godshuis;
zij verloor het grote doel niet uit het oog in jaren, toen woelingen van allerlei aard de grote zowel als de kleine gemeenschappen verontrustten.
De Elsloose generatie, die eenmaal eenzelfde opdracht zal hebben te volbrengen, kan hen tot voorbeeld nemen.
Tevens een woord van dank aan de Z. E. Heer Pastoor en de E. A. Heer Burgemeester ter plaatse, die ondergetekende in de gelegenheid stelden bovenstaande gegevens te verzamelen.
L. Van Mulken.

5 Onze voorouders bouwden een kerk

Met de bedoeling alles te verzamelen wat er omtrent de verwoesting der oude en de opbouw van de huidige St. Augustinus-kerk nog in de volksmond leeft, bezocht de voorzitter van het Eeuwfeest-comité de oudste mensen van ons dorp en tekende uit hun mond het volgende op.
Men schreef het jaar onzes Heren 1844 of daaromtrent, toen de bewoners van het Maasdorpje door een ramp getroffen werden, die hun kerk en bijna heel het dorp vernielde. In de nacht van 20 op 21 April woedde er een hevig onweer, gepaard gaande met een orkaan, die de daken van de huizen rukte en zelfs de ramen op de straat smeet. De dakpannen van de kerk werden weggeslingerd tot op de Scharberg, die op een afstand van 6 tot 700 meter Noordwaarts ligt. De toren werd omgerukt en was door de kerk gevallen, zodat er van wat eens kerk was, niet veel meer overbleef.
‘s-Morgens stond de pastoor aan de Kaak, de plaats midden in het dorp, waar voorheen boosdoeners aan de spot van de dorpsgenoten werden overgeleverd. De pastoor zei tot de hem omringende parochianen: “Mensen, ik heb gedacht, dat geen enkel van ons was overgebleven”. De mensen herstelden hun huizen, maar hun kerk was niet meer te repareren.
Onder leiding van de pastoor Petrus Willems, die heel zijn priesterleven in Elsloo doorbracht, en kapelaan Jozef Smeets besloten de parochianen een nieuwe kerk te bouwen. Het dorp telde toen 1150 inwoners.
De Elslonaren zouden zelf de brikken bakken en gingen aan de slag op een perceel in de Driekuilen, bij ouderen nog bekend als de brikkenhook, en op de Maasbeemden, door welke laatste uitgraving de vijver van het kasteel ontstond. De inwoners deden dat werk meest in hun vrije tijd. Het benodigde water werd met kruiwagen en vat aangevoerd en dit was de taak van Keunings-Jan. Vermoedelijk was hij koning van de schutterij geweest.
Toen de eerste oven gebakken was, kwam men tot de ontdekking dat de brikken bleek waren, niet hard genoeg om vermetseld te worden. Geen nood, de goeie mensen gingen opnieuw aan het werk en de tweede oven was goed.
De stenen waren klaar en men kon dus aan de kerk beginnen. De toenmalige Bisschop Mgr. Paredis had verlof gegeven om op Zondag handen spandiensten te verrichten. De inwoners, die over enig vervoermiddel beschikten, reden op Zondag stenen. Het zand is gehaald uit een terrein, eigendom van de kerk, achter. Catsop. De jonge meisjes moesten de stenen afladen en opstapelen, het mansvolk zorgde voor de aanvoer. De aannemer van de kerk was een Roermondenaar. Onder de metselaars worden genoemd drie gebroeders uit Houthem, van wie er twee doofstom waren. Elke Maandag kwamen ze met een ossekar naar Elsloo en bleven gedurende de week in de kost in café Claessen in de Maasberg, het perceel, bekend onder de naam van de oude brouwerij. Het water, dat nodig was om de specie te maken, werd door een zekere Koob Smeets gehaald aan het bronnetje in de Maasberg en dan in een vat per kruiwagen naar boven gevoerd, waarbij zijn hond hem behulpzaam was. Als beloning kreeg Koob de kost voor zich en zijn hond, en elke dag bij een ander inwoner. Toen de bouwerij wat lang duurde, begonnen de inwoners tegen Koob te brommen, als hij om zijn rantsoen kwam en Koob klaagde bij de pastoor. Ten einde raad, nam deze nu zelf maar Koob met zijn hond in de kost. Het gebruikte hout, alles eiken, werd geschonken door de familie de Geloes en door de Wit, de vader van de latere burgemeester, de Maasberg opgesleept, om dan door twee Catsoppers, wier namen onbekend zijn, gezaagd te worden. De Naamse steen, die aan de toren verwerkt is, zou afkomstig zijn van het oude kasteel van Geulle en aangevoerd door voornoemde de Wit. De blauwe steen onder de kolommen werd per schip uit België aangevoerd en moest dan op karren geladen en naar boven gevoerd worden. De steen rond de Communiebank zou van Duitse herkomst zijn en werd door Elsloose /oerlui, die soms drie weken wegbleven, aldaar gehaald. De marmeren ster op het priesterkoor danken we aan kapelaan Smeets, die vooral de bezoekers van hotels in de gelegenheid stelde hun bijdrage daarvoor te leveren en er niet tegen op zag te voet tot Den Bosch te gaan.
Op 13 Mei 1849 bezocht Mgr. Paredis de kerk en diende het H. Vormsel toe. Op 9 Juli 1855 heeft Z. H. E. W. kerk en hoofdaltaar geconsacreerd, vlgr. Petrus Vranken, Bisschop van Collose i.p.i. vormde die dag de anderen.
Betreffende de kerkbanken vindt men in de kerkregisters de volgende aantekening: “Geschonken eenen schoonen eik van de Geloes en twee fatsoenlijke eiken van Edward Wouters uit Stein”.
Het kerkorgel, een der waardevolste instrumenten in onze provincie, werd in 1868 geplaatst.
Een in Elsloo gestationeerde en niet-katholieke douane, Servé genaamd, vervaardigde uit een boomstam het grote St. Augustinus-beeld.
Zo luidt de overlevering aangaande onze kerk, boven wier ingang gebeiteld werd:

“’k Besta door deugden,”
“Ben God gewijd,”
“Elsloo tot vreugde”
“De Hel tot spijt”.

J. H. Peters.

6 Voetnoten

  1. = Ieper (b)
  2. Bedoeld is het zij-altaar aan de oostzijde. Ook het hoofdaltaar heeft een schilderij (kruisafname0 uit de school van Rubens.
  3. Het goud- en zilverwerk is gestolen in 1990?.
  4. = Ieper (b)
  5. = Eksel
  6. = Agatha
  7. = Ieper (b)